Over de bloei en het verval, en de bloei - en het verval - en de nieuwe bloei van de Nederlandse identiteit.

Alles.

(Waterlandstichting.nl) H.J. Schoo - Domineesverlichting - Identiteit is maar een glibberig begrip. De onvermijdelijke Huizinga vond dat al. Met ‘geestesmerk’, het woord dat hij voor identiteit meende te hebben gemunt – Abraham Kuyper bleek hem te zijn voorgegaan –, wilde hij ook zeggen ‘dat de hoedanigheid van een volksaard ten slotte met geen woorden te beschrijven is, dat men het merk moet proeven op de tong’ (1). Je herkent het meteen als je er tegenaan loopt, maar om het te omschrijven, te preciseren, te meten is iets heel anders. Volksaard, geestesmerk, nationaal karakter, natiebesef, identiteit – allemaal verwante, elkaar overlappende, maar vage, enigszins duistere en omstreden begrippen. De moderne sociale wetenschap heeft het er dan ook niet erg op: te geesteswetenschappelijk. In 1960 prepareerden de Amsterdamse psychologen Duijker en Frijda een trend report over nationaal karakter, waarin ze het concept als onbruikbaar van de hand wezen (2). De betekenis die ‘identiteit’ – niet helemaal hetzelfde als nationaal karakter – nu meestal heeft: onveranderlijke kern, onvervreemdbaar wezen, is bovendien uit de nevelen van de Romantiek tot ons gekomen, samen met ‘essentie’ en ‘authenticiteit’. Onze domineesverlichting moest al weinig van die zweverige Romantiek hebben: te Duits en duister.

Die domineesverlichting hield zich in de tweede helft van de achttiende eeuw niettemin intensief met vaderland en natie bezig, zoals de Amsterdamse historicus Van Sas laat zien in zijn recente synthese De metamorfose van Nederland (3). In een jarenlang debat kruisten orangisten en patriotten de degens over het karakter van de Nederlandse natie: de aanhangers van het oude, stadhouderlijke regime en de voorstanders van een gemoderniseerde staat op basis van burgerlijke vrijheden en van volkssoevereiniteit. Wie de volkssoevereiniteit omhelst, ontkomt er niet aan vast te stellen wat dat volk nu eigenlijk is, wat eigen en vreemd is, waar het vandaan komt en waar het heen gaat. Dat debat en de daarmee verbonden vaderlandscultus politiseerden de natie en gaven haar een prominente plaats in het bewustzijn van de burgerij. Zoals Van Sas schrijft: ‘In het complex van bindingen en loyaliteiten, het coördinatenstelsel van elk individu, kreeg de natie in de tweede helft van de achttiende eeuw een steeds hogere waarde, hoger vooral dan vorst en religie.’ En dan stad of streek, die in het voorafgaande coördinatenstelsel nog hoog reikten. Een algemeen-Nederlands besef, op zich
niet nieuw, werd door debat en cultus verbreed en verdiept.