Gezond moraliserende folklore... leeft!

Twee verhalen die je haren ten berge doen rijzen.


Het meisje van Renkum


Wageningen, stadje aan de rivier. De stad waar de capitulatie werd betekend. Stadje met groene uiterwaarden en uitgestrekte bossen. Een poort naar de Veluwe. Het verhaal dat er gaat is een oud verhaal. En hoe skeptisch men ook is, het wordt op z'n minst een beetje serieus genomen. Men bedenkt zich wel twee keer om alleen op pad te gaan. Op sommige avonden op sommige plekken. Je weet het niet.

Tussen Renkum en Wageningen ligt een fietspad. Het pad gaat door bosrijk gebied en het is er wat heuvelig. Overdag is het een typisch toeristische route waar men van de rust en stilte kan genieten. De zon schijnt dan fel door de bomen en op de grond tekent zich een dansende lappendeken af met prachtige kleurschakeringen. De muggen zweven als witte puntjes in wolkjes, en de zoetwarme dampen van de bossen ruiken er heerlijk.

Maar als de avond valt wordt het allengs stiller. De nachtelijke uren worden er het liefst vermeden. Omdat zovelen het verhaal kennen. Men zorgt ervoor dat men niet alleen fietst, als het echt niet anders kan. Mensen die alleen fietsen kunnen namelijk voor een sinistere verrassing komen te staan. Een duister geheim uit het verleden kan zich dan kenbaar maken. Een oude gebeurtenis, een collectieve schuldbekentenis die zich uit in een doodse stilte en een panische angst. Iets wat niemand meemaken wil.

Het pad ligt er verlaten bij en is slecht verlicht. Het enige wat je in de donkerste nachten ziet zijn de silhouetten van reuzen van bomen tegen een vaag oranje gloed in de lucht. Het zijn ook de achterlichten van andere fietsers die je volgt op het pad, bakens van licht die je niet uit het oog wilt verliezen, want wie er gaat fietsen op dat pad in de bossen krijgt al gauw te maken met een beklemmend gevoel. Alsof je wordt gade geslagen vanuit het duister, vanuit de eeuwenoude bossen. Je denkt misschien iets te horen boven het bulderende geruis van de bomen. Je kijkt en ziet niets. Ook al verwacht je iets. Iets angstaanjagends. De verbeelding is hetgene waarbij je je ongemakkelijk gaat voelen. En onbewust sla je al gauw een tandje hoger om wat sneller de bewoonde wereld te bereiken. Weg uit de klauwen van de onbestemde duisternis met haar primitieve wetten die een gezond menselijk verstand in luttele minuten tot complete wanhoop kunnen drijven.

Je kunt je misschien voorstellen dat als je jezelf een nuchter persoon acht, en je het idee hebt dat er iemand anders is in dat bos, en je dan vervolgens ook nog een jonge dame meent te ontwaren in het vale schijnsel van je fietslicht, dat je daar dan niet zo van opkijkt. Je vraagt je hooguit af waarom een meisje alleen zich op zo'n donker pad ophoudt. En als ze je indringend vraagt of ze een lift achterop mag dan biedt je dat aan. Vanuit een gevoel van hulpvaardigheid misschien. Of misschien stiekum ook omdat je met iemand erbij je gedachten een beetje kan verzetten.
Je hebt haar niet goed kunnen zien in het donker, maar je gaat een praatje met haar aan. En het meisje zegt dat ze er al een hele tijd stond, maar dat iedereen door reed zonder haar te helpen. Dat ze studeert in de stad en dat ze een lekke band had en dat ze behoorlijk bang was geworden in het donker. Bang dat er niemand meer zou langskomen, met kilometers voor de boeg. Niets bijzonders.

Maar als ze haar verhaal heeft gedaan kan het ineens stil worden achter je. Doodstil.

Je bemerkt dat je fiets lichter trapt, alhoewel je in eerste instantie denkt dat je bergaf gaat. Maar dat is het niet. In de verte zie je de straatverlichting van de bewoonde wereld al en je gaat zeker niet naar beneden. Je fiets zou eigenlijk een stuk zwaarder moeten trappen nu, om het gewicht van twee bergopwaards te krijgen. Je zou misschien wel moeten staan op de trappers. Maar niets van dat. Je draait je om en je ziet niemand. Er zit niemand achterop. En even denk je nog dat ze een stukje terug van de fiets is gesprongen en verder is gaan lopen, totdat je bemerkt dat warmkoude rillingen je nekharen doen tintelen.

Het is tientallen jaren geleden gebeurd. Zegt men. In de bossen was een kliniek, een gesloten inrichting voor psychiatrische patienten. Mensen die vreselijke dingen hadden begaan.
Een langsfietsend meisje kreeg op een avond een lekke band en stond moederziel alleen in het bos. Vanuit het donker hoorde ze krakende geluiden, boven het geruis van de bomen uit. Het leek op een beest dat takken vertrapte. Het moest een groot beest zijn. En het was een beest. Een man die zich aan de aandacht van het verplegend personeel had weten te onttrekken. Hij was het bos in gegaan. Hij had het kreupelhout onder zijn voeten horen kraken terwijl naar mos ruikende takken in zijn gezicht zwiepten en het ijskoude regenwater zijn wangen extra deden branden.

Hij had haar daar ineens zien staan en hij had haar een tijdje gadegeslagen. Zo goed en zo kwaad het ging. Een meisje dat tevergeefs probeerde passerende mensen aan te klampen. In doodsangst. Of ze asjeblieft een lift mocht krijgen. Maar de mensen lieten haar staan, daar op dat nachtelijk pad, in regen en wind. Haar lot was bezegeld, haar vonnis bekrachtigd. Haar ontzielde lichaam werd twee dagen later gevonden in de bossen. Vlakbij een vrolijk beschilderde damesfiets met een lekke band. Een eerste jaars studente.


Er zijn avonden dat de omstandigheden zijn zoals op die fatale avond, lang geleden. De hemel is dan bedekt met lage wolken die met dikke druppels jagen op alles wat zich buiten bevindt. De wind is guur en de bossen klinken als een beukende branding van een woeste zee. Mensen op de fiets hebben dan extra haast om thuis te komen.
Maar wie er in die uren stopt om te helpen wordt geconfronteerd met een vreselijk verleden. Een schuld. De schuld van allen die door zijn gereden toen. De schuld van allen die een meisje hulpeloos overlieten aan de angstaanjagende krankzinnigheid van een zwarte nacht. Een onherroepelijke schuld waaraan niemand zich kan onttrekken. Behalve dan door dat pad te vermijden.


Bron: http://fantasy.plein.nl/specials/ind...20van%20Renkum



Het Dokkumse spookhuis


Enige tijd geleden stond er in Dokkum een huis waar het spookte. Elke nacht rond twaalf uur was er in één kamer altijd een verschrikkelijk lawaai hoorbaar. De bewoners van het huis waren bang om in die bewuste kamer te slapen en lieten de kamer leegmaken. Alle meubels werden eruit gehaald, want niemand wilde nog in die kamer slapen. Er bleef alleen een krakkemikkig bed staan, omdat niemand wist waar ze het moesten laten.

Regenvrouwtje

Op een dag kwam er een oud, arm vrouwtje aan bij het huisje. Ze had al wekenlang over straat gezworven en was kletsnat door de regen. De storm ging tekeer en de regen kwam onophoudelijk uit de hemel vallen. Er stond water in de schoenen van het oude vrouwtje en ze was tot op het bot verkleumd. Verheugd was ze dan ook toen het huisje in zicht kwam. Wat ze anders nooit deed, deed ze nu. Ze belde aan. "Ze kunnen me wegjagen als ze willen, maar dat is niet zo erg" dacht ze. Een kans op bescherming tegen de regen liet ze niet voorbij gaan. Tot haar verwondering vroeg men haar beleefd of ze wilde binnenkomen. Men liet haar in gang staan en langzaam vormde zich een plasje water rond haar voeten. Een oude heer kwam haar tegemoet. "Wou je hier overnachten, vrouwtje?" vroeg hij haar. "Als mijnheer dat goed vindt, erg graag" was het antwoord. De heer vroeg haar of zij bang was. "Bang, waarom zou ik bang zijn?" zei het vrouwtje. De heer vertelde van de spookkamer en vroeg of zij daar wilde slapen. Nou, daar had het vrouwtje wel oren naar. Al zaten er duizend spoken in een kamer, een warm bed klonk hemels.

Een spook?

Aan de kamer was niets bijzonders te zien. Het vertrek was leeg, op het oude bed na. De kamermeid bracht een stapel handdoeken en warm nachtgoed. Het vrouwtje droogde zich zo goed als het kon en stapte vermoeid in bed. Zodra haar hoofd het kussen raakte was zij in slaap. Het werd twaalf uur en het spook kwam. En het spook ging, zonder dat zij er ook maar iets van merkte. Ze werd laat in de ochtend wakker en liep naar beneden. De keukenmeid merkte haar op en riep de hele familie bijelkaar. De oude mijnheer die haar de dag tevoren had ontvangen vroeg haar wat er gebeurd was in de nacht. "Gebeurd? Er is niets gebeurd. Ik heb heerlijk geslapen!" De bewoners van het huis hadden duidelijk gestommel in de spookkamer gehoord, maar het oude vrouwtje had niets gemerkt. "Zal ik vannacht nog een keer op de kamer slapen, en dan beter opletten of er een spook verschijnt?" De heer knikte verheugd. Die nacht sliep het vrouwtje dus weer in de spookkamer. Ze was al vroeg onder de wol gegaan, want ze wilde tegen twaalf uur wakker zijn. Ze viel in een lichte slaap. Tegen middernacht werd ze wakker van een geluid en ging rechtop in bed zitten. In de kamer scheen een gedempt blauw licht. Bij de vensterbank liep iemand heen en weer. "Wie bent u?" vroeg het oude vrouwtje beleefd. De man bij de vensterbank draaide zich om en balde zijn vuisten. "Ga jij maar snel weer slapen! Ik heb vannacht al genoeg last van je gehad" beet hij haar toe. Het vrouwtje zuchtte. "Als je erop staat, ga ik wel weer slapen. Maar schiet alsjeblieft wel een beetje op!"

De verborgen schat

Het vrouwtje was weer gaan liggen, maar hield haar ogen half geopend. Ze keek naar de lange, magere kerel bij het raam. Hij droeg kapotte laarzen, zijn broekspijpen waren gerafeld en in zijn jas zaten gaten. Op zijn kraag lag een dikke laag stof. Plotseling slaakte hij een vreselijke gil. Hij sloeg zijn nagels in de vensterbank en liet zich huilend vallen. Voorzichtig richtte het regenvrouwtje zich weer op om beter te kunnen kijken. Met een grote sprong stond de gestalte direct weer naast haar bed, woest schuddend met zijn vuisten. Ze liet zich achterover vallen en deed of ze snurkte. Haar hart maakte grote sprongen van angst. Ze hoorde het spook zeggen: "Blijf liggen en kijk niet naar wat ik doe." Maar ze kon de verleiding niet weerstaan. Toen ze hoorde dat het spook weg liep van het bed, richtte ze zich weer iets op. Ze zag dat hij timmermansgereedschap uit zijn jas haalde en dit met veel kabaal op de grond gooide. Toen draaide hij zich om om te kijken of ze wel sliep. Onmiddelijk liet ze zich achterover vallen, de ogen gesloten. Het leek een eeuwigheid te duren tot hij weer verder ging met zijn werk. Met doffe slagen sloeg het spook een bijl tegen het hout van de vensterbank. De vensterbank viel na enige tijd uiteen in twee delen. Tegelijkertijd rolden dukaten, gouden tientjes en rijksdaalders rinkelend over de vloer. Hij had geen oog meer voor het bed en ging op de grond zitten. Hij verzamelde al het zilver en goud dat uit de vensterbank was gerold en maakte stapeltjes. Toen begon hij te tellen, te tellen en te hertellen terwijl hij ondertussen vreselijk zuchtte. Het oude vrouwtje keek gespannen toe, klaar om te doen alsof ze sliep mocht het spook haar controleren. Deze was echter volledig in beslag genomen door het geld. Eindelijk slaakte hij zijn laatste, diepe zucht en stopte het goud en zilver weer terug in de vensterbank, hamerde de twee delen weer aan elkaar en verdween.

Droom of waarheid?

Na deze spannende ervaring kon het vrouwtje de slaap niet meer vatten. Ze lag te woelen in haar bed, smachtend naar de eerste zonnestralen. Bij het eerste ochtendgloren sprong ze uit bed, kleedde zich aan en liep naar beneden. Iedereen lag nog op één oor en geduldig wachtte ze in de voorkamer. Eindelijk kwam er beweging in het huis. Een slaperig dienstmeisje stak haar hoofd om de deur en vroeg of het spook geweest was. "Jazeker", antwoordde het vrouwtje. "Maak je baas maar wakker. Er zit veel geld in de vensterbank boven!" Al snel was iedereen wakker en aangekleed. De hele familie vormde een kring om het regenvrouwtje en luisterde naar haar avontuur. Ze had rode wangen van opwinding en genoot van de aandacht. Eerst wilde men haar niet geloven. Had ze dit alles niet gedroomd? Maar nee, ze wist het zeker en kon de heer des huizes overtuigen om de vensterbank in de spookkamer los te halen. Pas toen de muntstukken over de vloer rolden geloofden ze het verhaal. Tientjes, rijksdaalders en guldens rinkelden door de kamer, bevrijdt uit hun cel. Toen begon men elkaar te vragen wat er toch ooit in het huis gebeurd kon zijn. Hoe lang lag het geld daar al en wie was het spook? De oude heer vertelde van een gierigaard die lange tijd geleden in het huis had gewoond. De man gaf om niets anders dan geld en kende geen liefde of mededogen. Hij zette zieke mensen uit hun huizen als ze de huur niet konden betalen. Hij had moeders met kinderen op straat gezet, omdat hij hun huizen met winst kon verkopen. De man was verslaafd aan geld. Het kostte hem de grootste moeite om geld uit te geven. Geld moest rollen, maar dan alleen zijn kant op. Hij stierf uiteindelijk eenzaam en alleen. Niemand bekommerde zich om hem. Hij werd als een arm man begraven, want nergens in het huis kon men een cent ontdekken. Men speurde in alle hoeken en gaten, maar wie denkt er nu aan een vensterbank als verstopplaats? Zolang men de schat nog niet had gevonden, keerde de vrek naar de kamer terug. Iedere nacht moest hij voor straf het geld tellen, precies zoals hij tijdens zijn leven had gedaan. Net zo lang tot het weer onder de mensen zou rollen.

"Nu zal hij niet meer terugkomen" zei de oude heer. "Hij zal zijn rust vinden, omdat het regenvrouwtje hem heeft verlost." De familie stond erop dat het vrouwtje bij hen bleef, maar dat weigerde ze. "Wat moet ik hier dan doen? Geld maakt niet gelukkig! Buiten ligt mijn thuis, zwervend over de straten." En ze vertrok. De regen sloeg neer en langzaam vulden haar schoenen zich weer met water.


Bron: http://www.holland.com/nl/index.html...gen/index.html