31-12-2005 - Eric BRACKE - De Tijd


Naar aanleiding van de uitreiking van de Nederlandse Erasmusprijs 2005 verscheen een bundel artikels van de laureaten Simon Schaffer & Steven Shapin onder de titel 'Wetenschap is cultuur'. De prijs was voor de uitgeverij Balans ook een gelegenheid om de Nederlandse vertaling van Shapins 'The Scientific Revolution' uit 1996 op de markt te gooien. Een portret van twee wetenschapshistorici die wetenschap als een sociale activiteit bekijken. 'Je kunt niet begrijpen waar Newton mee bezig is in de jaren vanaf 1660, zoals experimenteren met prisma's en zonlicht, als je je niet realiseert dat hij geobsedeerd was door de problemen van godsdienst en god. Licht interesseert hem omdat het het principe is van goddelijkheid, of de wijze waarop schepping plaatsvindt. Als je je realiseert wat de betekenis van die experimenten was voor Newton, in theologische termen, dan wordt duidelijk hoe verschillend de intellectuele omgeving was van de onze.'

Met dit welgekozen citaat van Simon Schaffer (1955) begon Prins van Oranje Willem-Alexander vorige maand zijn laudatio op de uitreiking van de Erasmusprijs in Paleis Noordeinde in 's-Gravenhage. De Britse hoogleraar wetenschapsgeschiedenis deed de uitspraak in een BBC-interview. Maar het had net zo goed een citaat van de andere laureaat van de Erasmusprijs 2005 kunnen zijn, Schaffers oudere Amerikaanse collega Steven Shapin (1933). In 'De wetenschappelijke revolutie', dat opent met de provocerende zin: 'Dit boek gaat over iets dat nooit heeft plaatsgevonden - de wetenschappelijke revolutie -' rekent Shapin af met de gemakzuchtige visie op wetenschap als een rechtlijnige, algemeen aanvaarde cumulatie van kennis van Copernicus tot vandaag. Volgens de hoogleraar aan de prestigieuze Harvard University is de term revolutie een misleidende simplificatie. Het was in elk geval niet zo dat op een bepaald moment in de geschiedenis eensgezinde verlichte geesten de duistere religie de rug toekeerden ten gunste van de ratio.

Voor vroegmoderne natuurfilosofen zoals Newton en Boyle was er zelfs geen sprake van een tegenstelling tussen wetenschap en godsdienst. Zij zagen de experimentele wetenschap als een manier om de goddelijke schepping eer te bewijzen. De onthulling van de complexe structuur van de natuur bewees tegelijk het onvoorstelbare genie van het opperwezen: God als de grandioze ingenieur die het uurwerk met alle in elkaar grijpende radertjes ineen had geknutseld. Tezelfdertijd ontstond wel een nieuw, mechanistisch wereldbeeld, bestuurd door onpersoonlijke krachten die aan wiskundige wetmatigheden beantwoorden.

Wetenschapshistorici hebben altijd al oog gehad voor de context waarin grote wetenschappelijke stappen zijn gedaan. Dat is niet de verdienste van Shapin of Schaffer. Maar beiden gingen in hun publicaties nog een stap verder. Zij keken niet alleen naar de sociale omgeving en de tijd waarin de wetenschapper leeft als hij niet aan het werk is, maar namen ook zijn werkdomein zelf onder de loep.

Hun stelling dat wetenschap, van het laboratoriumonderzoek tot de publicatie van de resultaten in een gespecialiseerd tijdschrift, altijd al een sociale constructie geweest is, hebben ze overtuigend geïllustreerd in hun baanbrekende werk 'Leviathan and the Air-Pump'. In dit boek, dat dateert van twintig jaar geleden, gaan Shapin en Schaffer dieper in op de controverse die Robert Boyle in de 17de eeuw veroorzaakte met de introductie van de vacuümpomp in zijn experimenten. Een van de grootste tegenstanders van het gebruik van dit nieuwsoortig laboratoriuminstrument was de filosoof Thomas Hobbes. In zijn 'Dialogus physicus de natura aeris' trok hij sterk van leer tegen al dat experimenteel gedoe. De Engelse filosoof leverde de natuurfilosofen van zijn tijd, die de zintuigen wantrouwden en in de traditie van Aristoteles met ideeën aan de slag gingen, krachtige munitie in de polemiek met de medestanders van Boyle. Alleen het zuivere verstand kon leiden tot de ontdekking van de ware aard van de wereld, luidde het.

In hun klassieker tonen Shapin en Schaffer aan dat retoriek, het winnen van vertrouwen en het steunen op gezag in deze strijd belangrijkere wapens waren dan op feiten gebaseerde, rationele argumenten. Zo wist Boyle de leden van de Royal Society voor zich te winnen en hen in een redelijk virtuele getuigenis te laten bevestigen dat de experimenten waren verlopen zoals beschreven. De steun die Boyle kreeg, was dus veeleer een sociaal-politieke kwestie dan een objectief wetenschappelijk gegeven.

Hun benadering heeft Shapin en Schaffer het verwijt opgeleverd dat ze relativisten zijn. Toch is hun echte boodschap niet dat de inhoud van de wetenschap toch maar een relatieve waarde heeft. Shapin heeft zelfs geschreven dat wetenschap 'de meest gerespecteerde component van onze moderne cultuur is', alleen moeten we beseffen dat wetenschap nooit gescheiden kan worden van sociale en menselijke invloeden. En, aldus Shapin, wetenschappelijke kennis is altijd gebaseerd op vertrouwen, een bij uitstek sociaal gegeven. Vertrouwen is in onze huidige tijd zelfs nog belangrijker dan vroeger, omdat de disciplines zodanig gespecialiseerd zijn dat haast niemand in staat is de onderzoeksresultaten buiten zijn vakgebied goed te beoordelen.

In de bundel die ter gelegenheid van de Erasmusprijs 2005 is verschenen, geeft Shapin in een artikel over de zogenaamde 'Baltimore-affaire' een voorbeeld van wat er kan misgaan als er valse verwachtingen worden gekoesterd over de wetenschap als onfeilbaar model. Deze aanslepende rechtszaak, genoemd naar de Nobelprijs-winnaar David Baltimore op wiens afdeling een onderzoek het voorwerp van de controverse was, werd naar buiten gebracht door een medewerkster die haar carrièrekansen gefnuikt zag. Zij signaleerde terecht een aantal anomalieën tussen het immunologische onderzoek en de rapportage ervan in een gespecialiseerd blad, maar de affaire liep daarna helemaal uit de hand. Fraudeonderzoekers roken bloed en zagen in Baltimore een prachtige trofee. De kwestie groeide uit tot een symbool voor de toestand van de wetenschap in de Amerikaanse democratie. Uiteindelijk oordeelde een beroepscommissie van het ministerie voor Gezondheid en Sociale Zaken in 1996, tien jaar na de publicatie van het betwiste artikel, dat er onvoldoende bewijs waren voor de 19 aanklachten.

'Aan het einde van de affaire was er veel meer onderzoek verricht om het Cell-artikel te weerleggen dan om de oorspronkelijke publicatie op te stellen', schrijft Shapin. De analyses gebeurden door politici, juristen en wetenschappers die maar al te graag een beschuldigende vinger wilden uitsteken naar Baltimore, die ook had bijgedragen tot het artikel. Volgens Shapin hadden de krachten van buitenaf 'de beschikking over een wapen dat door veel wetenschappers zelf was gesmeed en traditioneel verspreid', namelijk een geïdealiseerd beeld van wetenschappelijke kennis en van de wetenschappelijke methode. 'Als je ervan uitgaat dat wetenschappelijke kennis een samenstel van intellectueel soortgelijke stukjes informatie is, waarbij elk stukje onafhankelijk en ondubbelzinnig als waar of onwaar kan worden beoordeeld, dan bestaat er geen enkel excuus voor onware stukjes informatie in een wetenschappelijk verslag. En als je ervan uitgaat dat wetenschappelijke conclusies worden gevormd doordat een ondubbelzinnige, algemene, en effectieve rationele methode op deze stukjes wordt toegepast, dan is er al evenmin ruimte voor menselijke fouten of zelfs veranderlijkheid. De overgang van experimentele waarnemingen naar aantekeningen, en van aantekeningen naar gepubliceerde artikelen zou soepel en eenvoudig moeten zijn. (...) En aangezien de methode zo helder en eenvoudig is, is het niet nodig op het oordeel van experts te vertrouwen: wetenschappers die niets of weinig over een bepaald terrein weten, en zelfs niet-wetenschappers, kunnen een oordeel uitspreken. Wie immers een handboek over de wetenschappelijke methode heeft bestudeerd, zo luidt de redenering, weet genoeg om een duchtig woordje mee te spreken over wetenschapsbeoefening.'

Het is duidelijk dat Shapin in deze aan de kant van Baltimore staat, die stelde dat je wetenschappelijke deskundigen wel moet vertrouwen, 'omdat een groot deel van de wetenschap neerkomt op oordeel en interpretatie'. Maar dat betekent niet dat Shapin en Schaffer, zoals ook blijkt in het nawoord in 'Wetenschap is cultuur', zich geen zorgen maken over de wetenschap die steeds meer verstrengeld is met commerciële belangen. Shapin merkt eerst op dat er historisch gezien nooit een tijd is geweest dat de wetenschap zuiver en ongebonden was. In de Middeleeuwen hadden geleerden aan de universiteit rekening te houden met de kerk, daarna met de vorstenhuizen en sinds het begin van de 20ste eeuw met het bedrijfsleven. In Amerika wierpen rectoren van onderzoeksinstellingen zoals het MIT (Massachusetts Institute of Technology) zich al vroeg op als verspreiders van de nieuwe moraal die het commercialiseren van onderzoek, met de daaruit voortvloeiende invloed van het bedrijfsleven op de academische missie, voorstelt als een dienst aan de gemeenschap. Volgens de auteur is deze opvatting over de ondernemende universiteit zo algemeen verspreid, dat de universiteit met als centrale missie goed onderwijs en fundamenteel onderzoek het moeilijk zal krijgen om de 21ste eeuw te overleven.

Steven Shapin - De wetenschappelijke revolutie - 2005, Amsterdam, Uitgeverij Balans, 264 blz., 18,5 euro, ISBN 90-5018-708-0

Simon Schaffer & Steven Shapin - Wetenschap is cultuur - 2005, Amsterdam, Uitgeverij Balans, 304 blz., 25 euro, ISBN 90-5018-709-9