Krijtlijnen voor een bewust en doorleefd heidendom

Willen we ons met de Noordse traditie bezighouden en pogen terug aan te knopen bij een levende religie, dan is het van belang ons niet vast te klampen aan hetgeen in de folklore resteert – hoewel die aspecten op zich toch vrij belangrijk kunnen zijn – maar daarentegen te pogen naar de essentie van die gebruiken terug te keren en ze aan te passen aan de nieuwe situatie waarin we ons heden bevinden.

Vandaar dat deze tekst min of meer een inleiding wil zijn op de fundamentele gezichtspunten van onze religie, hoe we bepaalde denkvormen invullen, hoe we ze overbrengen, wat een correcte levenshou*ding in een gegeven omstandigheid is, hoe we dat naar de kinderen toe moeten vertalen... De tekst geeft evenwel geen volledig beeld. Hij wil enkel aanzetten tot nadenken, tot discussie ook, en vooral tot het voor uzelf opbouwen van een totaalvi*sie.

De verbanden tussen specifieke gebruiken, wijze van handelen en metafysische concepten zijn noodzakelijk om de religie als een eenheid te ervaren, als iets dat de mens omvat en door*dringt. Nochtans dient ervoor gewaarschuwd te worden dat religie niet enkel met een vingerknip kan verkregen worden. Het is 'een groeien in', 'een zich voortdurend, elke dag opnieuw, eigen maken'; het is een 'houding', een 'ingesteld*heid', een manier om de wereld te aanschouwen en te beleven; het is een 'algehele transformatie' van de eigen persoon. Van*daar dat religie niet aangeleerd kan worden. Er zijn geen cursussen voor, geen universiteiten waar men religie kan leren. Men moet ervoor openstaan en men moet zelf bereid zijn de band met het Goddelijke te herstellen. Verwacht van mij dus geen wondermiddeltjes waardoor u morgen kan zeggen: 'Ah, nu ben ik een heiden, want ik heb het gelezen. Ik weet waarover het gaat; ik ken alle details, alle Goden, alle recente hypo*theses over onze voorouders...' Dan moet ik u teleurstellen. Zo werkt het niet! Heiden zijn impliceert in de eerste plaats een volkomen eerlijkheid ten opzichte van uw eigen persoon, zonder uzelf een rad voor de ogen te draaien. Hieronder zullen we het hebben over enkele basisprincipes van het hei*dense denken. Ze kunnen u tot bakens dienen in deze onzichtba*re wereld waar elk profaan persoon op de tast probeert zich een weg te zoeken. Leef rustig, sereen! Overhaast u niet! De weg is een voortdurende confrontatie met uzelf, met de anderen, en met het onbekende.

God en de Goden

Eén van de grote discussiepunten die geregeld de bovenhand haalt daar waar zogenaamde heidenen opboksen tegen vermeende monotheïstische godsdiensten, is het plaatsen van vele Goden tegenover één God. In wezen is dat een volkomen foute discus*sie, gebaseerd op een zwaar misverstand. Wie de heidense godsdiensten grondig bestudeert, komt al vlug tot de conclusie dat deze religies vertrekken vanuit een transcendente een*heidsgedachte. Dat is ook logisch want het Pure Zijn is één en ondeelbaar. Van zodra het opgesplitst is, kan het niet meer Zijn genoemd worden.

Wat zijn dan de vele heidense Goden? Men kan toch niet ontkennen dat er verscheidene Goden in het Noordse religieuze denken bestaan? Inderdaad, ook dat is juist, maar die Goden zijn concreet genomen enkel maar aspecten van dat Ene, dat wat we het Goddelijke noemen maar dat in wezen onuit*spreekbaar is omdat het alles te boven gaat. Want, vermits het Goddelijke Puur Zijn is en vermits het Pure Zijn alles in zich bergt, moet ook alles in dat Puur Zijn aanwezig zijn, en dan is alles ook slechts een deelaspect van dat Goddelijke. Dat betekent evenwel ook dat elke God die in de mythen voor*komt, slechts een fragment weerspiegelt van het Goddelijke, van dat Allesomvattende. Zich vastklampen aan één enkel aspect van het Goddelijke, is afbreuk doen aan de allesomvattendheid van het Onuitspreekbare. Maar dat betekent ook dat niet àlleen de Goden tot het Goddelijke behoren, maar ook de mensen, ook de natuur, ook – en dat is veelbetekenend – het z.g. ‘kwaad’. Alles zit vervat in het Goddelijke proces en kàn er niet van gescheiden worden omdat men anders afbreuk doet aan de Alles*omvattenheid van het Goddelijke, en dat zo het Goddelijke geen aanspraak meer zou kunnen maken op het Goddelijke. Bestaat er iets buiten het Goddelijke, dan kan dat Goddelijke niet meer Allesomvattend of Almachtig genoemd worden! Op het aspect van het kwaad komen we later nog terug. De Goden in de mythen kunnen, naar vergelijking met de christelijke godsdienst, vertaald worden als engelen. Zij vervullen identiek dezelfde functies.



Het woord God

Het woord God is niet – zoals de meesten menen te weten – van christelijke oorsprong. Duidelijker nog: het is een woord dat in oorsprong een typische Indo-Europese connotatie heeft. In de Oudnoorse taal had 'god', 'gud' de betekenis van 'heidense God', en verwees het letterlijk naar 'diegene die men aanroept'. De priesters-rechtsgeleerden bij de Germanen werden 'godi' genoemd, zeg maar aanroepers. Gelijkenissen worden bij de Kelten alsook bij de Indiërs aangetroffen. Het 'aanroepen' reikte in de Noordse traditie veel verder dan gewone klankuitstoten. Het had een bezielende functie. Vandaar dat de kunst van de poëzie (skaldendichten) samenhing met het incar*neren van het Goddelijke en het laten spreken van het Godde*lijke door de priesterdichter.

Zijn en Wording

We hebben hierboven het Goddelijke als Puur Zijn bestempeld, als werkelijke Essentie die allesomvattend is. Nu zou men zich terecht kunnen afvragen hoe dat te combineren valt met de wordingsgedachte, bij uitstek zo sterk vertegenwoordigd bij de heidense filosofen, bv. Herakleitos. Dat is precies de reden waarom ik het Goddelijke met 'Puur' Zijn betiteld heb, een Zijn dat weinig te maken heeft met de Zijnsvraag van de filo*sofen. Het Pure Zijn staat boven het filosofische onderscheid Zijn/Niet-Zijn (of Wording), boven elke vorm van opdeling, boven iedere dualiteit of samengesteldheid. Het 'Pure' Zijn is volstrekte Eenheid. Dat neemt niet weg dat de tegenstelling Zijn/Niet-Zijn een relatieve realiteit in zich draagt. Anders uitgedrukt: het is niet omdat er een 'Puur' Zijn bestaat, dat een boom, die onderhevig is aan de wording en die we slechts onrechtstreeks (d.w.z. via de ogen en met de interpretatie van de hersenen) kunnen waarnemen – dus in wezen slechts in schijn zien, niet 'in essentie' – niet over een zekere vorm van realiteit zou beschikken. Die realiteit is evenwel relatief omdat ze vluchtig is, omdat ze steeds verwikkeld is in de strijd tussen het filosofische Zijn/Niet-Zijn. Wat daar blijvend en onverander*lijk achter steekt, is wat wij het Goddelijke noemen, het Pure Zijn. Want het Goddelijke wordt niet geraakt door de strijd Zijn/Niet-Zijn, het Goddelijke is niet onderhevig aan Wording en vervluchtiging, het Goddelijke blijft altijd aan zichzelf gelijk. En nochtans is er geen effectief onderscheid tussen de Wording (strijd Zijn/Niet-Zijn) en het Pure Zijn, want het Pure Zijn omvat de Wording en overstijgt ze. Het Pure Zijn is in wezen de kern van de Wording. Zonder het Pure Zijn bestaat de Wording eenvoudigweg niet.

Het probleem van het kwaad

Als wij, hedendaagse westerlingen, het vandaag over het kwaad hebben, dan zijn we voornamelijk beïnvloed door een vorm van christelijke moraal. We moeten dat volledig loslaten, willen we iets begrijpen van de heidense visie op het kwaad. Het Godde*lijke is Puur Zijn, hetgeen volkomenheid, allesomvatten*heid... impliceert. Het doel van alles in de kosmos ligt hem dààr, in het zich verenigen met zijn Goddelijke Kern en zo de volmaaktheid, zo de allesomvattendheid, de alwetendheid... te bereiken. Dat heeft niets te maken met het verstandelijke bereiken, maar met een volkomen, een algeheel opgaan in dat Goddelijke. Het kwaad nu – voor zover we vanuit heidens stand*punt deze terminologie kunnen gebruiken – is hetgeen ons van onze essentie verwijdert, hetgeen het verval en de vervreem*ding van onszelf inluidt, hetgeen ons terug stort in het rad van de Wording, in de uiterlijke schijn, in de relatieve werkelijkheid. Het kwaad is niet iets dat betekenis heeft voor het Goddelijke. Voor het Goddelijke, voor het Pure Zijn, be*staat het kwaad niet. Het kwaad kan pas betekenis hebben vanuit de relativiteit. Meer zelfs, het kwaad is inherent aan de wording die vóórkomt en verblijft in het Goddelijke. Slechts via de wrijving tussen het kwaad enerzijds en het menselijke streven naar de hereniging met het Goddelijke anderzijds, kan de mens, door zijn wilskracht, een zuiveringsproces doormaken. Die strijd is een noodzakelijk gegeven voor de terugkeer naar het Goddelijke. Het kwaad heeft bijge*volg geen absolute betekenis, en is voor iedereen verschil*lend. Iedereen dient voor zichzelf uit te maken in hoeverre een bepaalde situatie hem teveel van zijn uiteindelijke kern verwijdert, en het voor hem/haar bijgevolg onmogelijk maakt zijn/haar Goddelijke Zelf terug te vinden.

Perfectie door de standen



Zoals het Goddelijke, het Pure Zijn, de oerkiem van de wording is, en anderzijds toch de wording omvat, is het streven van de religieuze mens zich terug te verenigen met zijn Godde*lijke oerkiem. Daartoe duiden de Indo-Europese mythen drie wegen aan. Het Goddelijke kan bereikt worden als men binnen één van deze drie systemen de perfectie poogt te bereiken. Aan geen van de systemen wordt een waarde-oordeel toegekend; de ene staat in waarde niet hoger dan de andere. Wel is er een hiërarchische ordening die vervat ligt in de kosmische cycli-gedachte waarmee de Indo-Europese volkeren rekenden. Bij de Germanen was dat Speertijd, Zwaardtijd, Windtijd en Wolfstijd.

De drie systemen komen overeen met de drie standen:

* de derde stand: Onderwereld - vruchtbaarheid - producenten - gevoel - wind*tijd.

* de tweede stand: Middenwereld - wereldlijke macht - strij*ders - psychè - zwaardtijd

* de eerste stand: Bovenwereld - geestelijke macht - religieu*zen/rechtsgeleerden - intuïtieve intellect

Dit betekent dat iemand zich volledig kan wijden aan het boerenleven, zich zo enorm gevoelsmatig met moeder aarde gaat verbinden, met het leven van de dieren en de planten, met de oerkrachten van de natuur... dat hij uiteindelijk één wordt met de diepste kern van de aardse vruchtbaarheid, en bijgevolg met zijn diepste, innerlijke kern. Een ander persoon zal vanuit zijn rebelse ingesteldheid volle*dig opgaan in de strijd voor een hoger bestaan, waardoor hij één zal worden met de kosmische strijd waarin zijn denken en handelen kadert, zodat hij zich zal kunnen vereenzelvigen met de helden en halfgoden en zodat hij tenslotte zelf in het Goddelijke kan worden opgenomen. Nog een ander persoon zal zich zo aan de religieuze bespiege*lingen en oefeningen ter beheersing van het relatieve wijden, dat het absolute tenslotte binnen handbereik komt te liggen en hij het Goddelijk lichaam kan aantrekken.

De lezer dient dat niet enkel ideëel op te vatten en te denken. ‘Ja, allemaal goed en wel, misschien was dat vroeger zo. De tijden zijn nu anders.' Dat klopt, maar dat religieuze streven binnen de drie standen zat ook volkomen vervat in het rituele gebeuren en dat mogen we niet uit het oog verliezen als we de feestenkalender nader bekijken. De lentegebruiken wijzen voornamelijk op de vruchtbaarheidscultus; de zomergebruiken op het koningschap en de rechtspraak; de midwintergebruiken op de strijd en de bevrijding van de Zon.

De derde stand is het er voornamelijk om te doen de Onderwe*reld te beheersen, de wereld van de vruchtbaarheidskrachten, de wereld van de liefde, van de verwekking, van de aardse krachten, van de krachten van de gevoelens. Dat betekent niet een zich laten gaan, niet een zich laten meevoeren op de gevoelens, maar een in de hand houden van die krachten, het zelf sturen en leiden. Vandaar dat het hier gaat om het culti*veren, niet om het laten woekeren. De kleur is zwart (aarde, Onderwereld).

De tweede stand wil voornamelijk tot de beheersing van de psychè bekomen, het tactisch vorderen op het slagveld, het verstande*lijk en koelbloedig hoofd bieden aan een situatie, het verwer*ven van doorzicht in strategie en het aanvallen op het juiste ogenblik. Hier wordt niet de onderwereld, maar de middenwe*reld, de ruimte, onder controle gebracht. De kleur is rood (bloed, vuur).

De eerste stand wil de geestelijke (intuïtieve) vermogens onder controle brengen, het zichzelf confronteren met de onzichtbare krachten van het heelal, het systematisch overwin*nen van de ruimte en de tijd en zo pogen uit te stijgen boven dit ondermaanse. De geestelijke stand doet alles om uit de driedimensionele wereld los te komen en zo als verbinding te fungeren tussen de hogere wereld en de middenaarde. De kleur is hier wit (zuiverheid, licht).

Natuur en cultuur



De heidense mens maakt heel veel gebruik van de natuur bij het uitdrukken van het Goddelijke. Dat is ook logisch omdat de Wording eigenlijk een uitdrukking is van het Pure Zijn, van dat Goddelijke, en zich steeds aan de mens openbaart onder andere verschijningsvormen. Een boom in de winter is anders dan een boom in de zomer. De lucht is de ene keer blauw, de andere keer grijs. Dieren kunnen op het ene moment lief en getrouw zijn, op andere momenten dan weer gevaarlijk en wild. Dat alles zijn uitdrukkingswijzen van het Pure Zijn. Het fungeren van de natuur als gezicht van dat Goddelijke gebeurt dan ook op een exempla*rische wijze. Niet het veranderende karakter heeft belang, maar de constante in dat veranderende karakter, d.w.z. hetgeen erachter schuil gaat. Het is voor de heidense mens niet de bedoeling dat hij zich met de natuur identificeert – dat zou er trouwens op neer komen dat hij zich zou laten meeslepen met de wording, met de instabiliteit, met het vluchtige zijn, met de relativiteit, en dat hij bijgevolg het Goddelijke, het Absoluut-aan-Zichzelf-Gelijkblijvende uit het oog verliest. De heidense mens is er daarentegen op uit om datgene wat alles door*stroomt, datgene wat van alles de oerkiem vormt, overal terug te ontdekken en zo te versmelten met het Pure Zijn, waardoor de wording uit de natuur verdwijnt en de natuur Puur Realiteit wordt, het Onsterfelijk Gezicht van het Goddelijke. Dat is wat men noemt 'het sacraliseren van de natuur', het door rituelen en symbolen daadwerkelijk reëel stellen van het Goddelijke rondom en in de mens; dàt is het scheppen van orde, niet zomaar een menselijke orde, maar een heilige Ordening, een Ordening die boven tijd en ruimte verheven is. Rituelen, en bijgevolg symbolen, maken dan ook een essentieel fundament uit van het religieuze leven van de heiden.

Ook cultuur is voor de heidense mens van belang. De heidense mens kende echter geen kunst om de kunst, zoals de moderne wereld die kent. Cultuur was nog onlosmakelijk verbonden met het handelen, met de vrije daad, met het scheppen. Hoe ging dat in z'n werk? De religieuze mens schouwde, d.w.z. hij poogde de Essentie, dat Onveranderlijke, Sacrale Fluïdium met het 'innerlijke oog' te aanschouwen. Dat kon door geestelijk op te klimmen tot bij de Goden of tot bij bepaalde hiërarchische krachten. Daar kon de persoon zich door de 'fylgja' of 'banshee' – d.w.z. door de vrouwelijke scheppende kracht, in de filosofie uitgedrukt als natura naturans – verenigen met het Goddelijke voorwerp dat hij reëel in de middenwereld gerealiseerd wilde zien. D.w.z., de schepper en het te scheppen voorwerp werden één en niet van elkaar te onderscheiden. Vervolgens maakte de schep*per de vorm die hij geïncarneerd had uit de hogere wereld en verbond daaraan de Goddelijke Kracht die hij meegekregen had dankzij de 'fylgja' of 'banshee'. Het voorwerp was levendig, het was bezield. Een zwaard was niet enkel goed omdat het goed gemaakt was, maar vooral

omdat het de juiste krachten incarneer*de; een huis stortte niet in omdat het goed geconstrueerd was, maar omdat het bezield was door de Goddelijke Krachten. Cul*tuur had, net zoals de natuur, slechts zin in zoverre het de Goddelijke Ordening en de Goddelijke Krachten hier op aarde kon incarneren en realiseren.

Tijd en Ruimte

De Indo-Europese volkeren hebben een vreemd concept van Tijd en Ruimte, aspecten van de werkelijkheid die vanuit het Goddelijke bekeken geen enkele realiteit bezitten, vanuit de mensenwereld bekeken echter veeleer als absoluut overkomen (ook al is dat slechts schijn). Tijd en Ruimte zijn onlosmakelijk verbonden met de Wording, want als er geen Wording is, kunnen we ook geen notie van Tijd hebben, omdat er dan geen vergelijkingspunten zijn, en zonder vergelijkingspunten kan er geen Tijd gemeten worden. Hetzelfde geldt voor de Ruimte, want elke wording impliceert plaats. Onveranderlijk*heid, Puur Zijn, stijgt boven elke vorm, boven elke incarnatie en bijgevolg boven elke Ruimte uit. Maar de menselijke reali*teit speelt zich dus af in de Wording, en ook daar geldt dat de heiden poogt die Wording te overstijgen door de geschiede*nis te verbinden met een Goddelijke Geschiedenis die zich boven Tijd en Ruimte afspeelt, en elke plaats verbindt met elementen uit de mythologie, waardoor die plaatsen vanuit hun relativiteit opgetild worden en in de heilige en Goddelijke geografie opgenomen worden.

Men kan zich natuurlijk afvragen hoe er een Goddelijke Geschiedenis kan bestaan als het Goddelijke niet onderhevig is aan de Tijd. De mythische of Goddelijke Geschiedenis is in wezen niets anders dan de be*wustzijnstoestanden die de mens moet doorlopen om tot het Goddelijke te komen. Het zijn de vaste wetten waaraan de mens, de kosmos, het al onderhevig zijn, maar die onveranderlijk boven en achter de wordingsgeschiedenis staan. Het gaat om de constante binnen de wording, datgene wat essentieel – als kiem, als Essentie, als Spil – de wording beheerst.

Hetzelfde kan gezegd worden voor de Ruimte. Het Goddelijke is niet aan Ruimte gebonden, maat dat neemt niet weg dat er in de verschillende bewustzijnsniveaus van de mens zogenaamde ruimtes bestaan (woorden schieten hier tekort om het correct uit te drukken), ruimtes waar de mens de Heilige Geschiedenis ervaart in z'n eigen menselijke persoon, maar ook ruimtes om zich heen die door bepaalde rituelen en gebruiken verbonden werden met de Heilige Geschiedenis en zo de omgeving van de mens in de Goddelijke Wereld optillen en opnemen.

Lot en Vrije Wilsbeschikking

De heidense mens wordt geboren in een keten van voorouders, ouders, en nageslacht. Hij wordt eveneens geboren in een specifieke familie, een specifiek volk, een welbepaalde cul*tuur. Dat zijn duidelijke gegevens die kosmologisch gezien vastliggen. Uit vergelijking met de hindoe-traditie, waar ons hei*dendom tot op zekere hoogte mee verwant is, kan men stellen dat de heidense mens ook dit in de hand heeft. Hij bepaalt zelf hoe, waar en wanneer hij geboren wordt omdat hijzelf bepaalde toestanden wil doorlopen, concrete zuiveringen wil doormaken, zichzelf wil aanzetten tot het hogere streven. Hoe dit denken bij de Germanen gestalte kreeg, kunnen we slechts gissen. Vandaar dat ik over een relatieve determinering zou willen spreken.

Dat neemt niet weg dat de Germaanse mens vrij was daden te stellen zoals hij dat zelf wilde en die daden brachten hem in specifieke situaties die hij in wezen zelf gecreëerd had. De Germaanse mens schiep dan ook zijn eigen wereld, hij schiep de gevolgen als een voortdurend weven van een doek, een vervlechten van handelingen en gevolgen tot een soort levensnetwerk. Dat wordt ondermeer uitgedrukt in de Nornen die de levensdraad spinnen, waarmee de mens werkt (weeft) en die tenslotte, op 't einde van zijn leven, terug doorgeknipt wordt. Het handelen kan enkel vanuit verantwoorde*lijkheid begrepen worden. Neemt iemand de verantwoordelijk*heid voor zijn handelen niet op, dan bewerkstelligt hij daarrmee onver*mijdelijk zijn eigen ondergang, omdat dit vroeg of laat grote*re gevolgen zal teweeg brengen die hijzelf niet meer het hoofd zal kunnen bieden. Hij zal door de omstandigheden geleefd worden, terwijl het in wezen de bedoeling is zelf de toestand te leven. Niet weg en weer geslingerd worden door de krachten van de 'gecreëerde' omstandigheden, maar die omstandigheden zèlf beheersen, dat is het doel. De mens als meester van het leven, niet als slachtoffer, als gevolg van het geleefd worden. In essentie is het overwinnen en het in de hand houden van het leven er dan ook op gericht zèlf spil te worden, zèlf onveranderlijk, onomstotelijk, standvastig in het leven te staan. Dit betekent dat het ultieme doel van de heiden erop gericht dient te zijn de wording, het rad van de vervloeiing, te stoppen en het geweven doek dat het zicht belemmert te verscheuren waardoor de mens daadwerkelijk vrij komt. De heidense religie streeft dan ook voortdurend naar stabiliteit, behoud, kwaliteit.

Universisme - humanisme

In het denken van de heidense mens nam het 'menselijke' (al-tè-menselijke) aspect een veel kleinere betekenis in dan bv. in z.g. ‘grote’ religies zoals het hedendaagse christendom. De vermen*selijking van het wezen gaat gepaard met een vermaterialise*ring van de wereld, met een profanisering van religieuze onderwerpen en met een verlaten van het doctrinaire systeem*denken. Het is een teken van de tijd, een gevolg van het modernisme. In het beeld van de heiden daarentegen staat de mens in relatie tot de kosmos, in relatie tot een groter, omvangrijker systeem. Hij maakt er integraal deel van uit en heeft slechts betekenis in functie van het geheel. Zijn blik is niet gericht naar het ego, wel naar datgene wat het ego overstijgt en omvat, naar datgene wat hem kan onttrekken aan de wetten van de Wording.

Die ontstijging ligt hem in het gericht zijn op de eenheid van alles in en door alles. Het gericht zijn op het Ene zouden we kunnen omschrijven als het gericht zijn op het universum (van 'uni' en 'versere', zeg maar 'één' en 'keren'). Gericht zijn op het Ene impliceert dat het leven van de mens relatief is en dat enkel in de eenheid het doel bereikt wordt. Vandaar dat de heidense mens de een*heid nastreeft in zijn eigen persoon, de eenheid met zijn buitenwereld, de eenheid met het Goddelijke, met de Essentie van zijn bestaan. Een humanistische visie moet hem dan ook voorkomen als pure navelstaarderij en zal onvermijdelijk uitmonden in de atomisering van de wereld ten gevolge van een soort liberalistisch egoïsme. In een heidense context is het belang van de verbanden – de banden van familie en vrienden, van datgene dat de leefwereld tot gemeenschap omvormt, evenals de relatie tot de natuur en het overal aanwezige Goddelijke waardoor de omgeving gesacraliseerd wordt – bijgevolg één van de pijlers waarop het leven dient geschoeid te worden. Universisme is dan ook de sleutel tot het denken van de heiden.

Symbool en ritueel



Tal van heidense culturen zijn in oorsprong oraal en hadden bovendien duidelijke stellingen over het al dan niet vastleggen van de heilige teksten. Net zoals het aanvankelijk verboden was de Goden in tempels op te sluiten, omdat men daardoor afbreuk zou doen aan de alomtegenwoordigheid van het Goddelijke, zo ook was het verboden de heilige teksten in geschreven vorm vast te leggen omdat het Goddelijke boven Tijd en Ruimte verheven is. Die maatregel had tot doel de religieuze beeldvorming tegen profanisering en ontheiliging te bescher*men, en haar anderzijds de mogelijkheid te bieden zich voortdurend in andere bewoordingen aan te passen als gevolg van nieuwe situaties.

Vandaar dat de heidense religie een levendige religie was. De orale vorm werkte het gebruik van 'beelden', van symbolen in de hand. Het geheel had een poëtisch karakter en de symbolen riepen bij de bevolking tal van verbanden op die er door specifieke toestan*den gelegd konden worden. Iedereen begreep de mythen dan ook volgens zijn/haar niveau. De symbolentaal had een andere werking dan de gewone spreektaal, want de spreektaal volgt de analytische rationaliteit. Dit wil zeggen dat het denken verloopt volgens een uiteenrafelen in dualiteiten. Een woord is dit en niet dat. Het denken splitst, analyseert, maakt steeds onderscheiden. Symbolen daarentegen bundelen, vatten meerdere betekenissen in één, al naar gelang het niveau van denken en het associatievermogen. Die techniek is dan ook één van de meest essentiële elementen van de heidense religie.

Daarom dienden de barden gedurende een periode van twintig jaar opgeleid te worden in het memoriseren van de religieuze teksten. Hun liederenreperto*rium omvatte een ware rijkdom aan gezangen, waarvan er slechts enkele in de meer recente, christelijke tijd opgetekend werden. De symbolen kwamen voor de bevolking het sterkst tot uiting in de rituelen. Rituelen zijn symbolische handelingen die door hun herhalend karakter bepaalde associaties bij de bevolking oproepen en elk individu, door een soort shocktherapie, trapsge*wijze en systematisch in het Goddelijke opnemen. Dat gebeurde niet enkel in publieke rituelen, maar voornamelijk in geslo*ten, geheime rituelen. Dat systeem noemt men mysteries.

De heidense religies zijn in wezen allemaal mysteriereligies. Mysteries werden ingesteld om mensen trapsgewijze met bepaalde essentiële waarheden te confronteren, bepaalde in*zichten te verschaffen, en de gemeenschap te behoeden voor verval als gevolg van profanisering. Enkel zij die sterk genoeg werden bevonden om zich bepaalde zienswijzen eigen te kunnen maken en daardoor de Goddelijke ervaring op te doen, werden erin toegelaten. De mysteries werden in drie groepen onderver*deeld. Vooreerst waren er de publieke mysteries, die tot doel hadden de bevolking een religieuze visie mee te geven waarnaar ze konden leven. De kleine mysteries gingen al een stap verder en waren gericht op het 'Ken u zelf', d.w.z.. op het bereiken van de binnenste kern, hetgeen in psychologische termen het 'individuatieproces' genoemd wordt. Tot op dat niveau blijven we binnen de materialiteit, binnen de lichamelijkheid van de menselijke persoon. De grote mysteries stijgen daar boven uit. Zij willen dat de mens, die eenmaal tot zichzelf gekomen is, tot zijn essentie dus, die essentie gaat transcenderen en via negen stadia (negen hemelsferen) tot het Goddelijke, de Alles*omvattendheid, het Universum doordringt en er zich in ver*liest.

Opdracht voor de toekomst

De essentie van de heidense religie hebben we hierboven in korte bewoordingen pogen te schetsen. Het komt er evenwel niet op aan alles wat vroeger plaatsgevonden heeft, op te hemelen en evenmin zich angstvallig vast te klampen aan de laatste restanten van de traditie (hier in de zin van folklore ge*bruikt), maar daarentegen te zoeken hoe we die levendige essentie terug kunnen belichamen. Dat is wat wij de Traditie (met grote T) noemen, d.w.z. de oerervaring die iedereen opdoet die met het Goddelijke in aanraking komt. Die oererva*ring is op alle plaatsen en ten alle tijde dezelfde omdat nu eenmaal het Pure Zijn één en onveranderlijk is. Alleen de uitdrukkingswijzen van deze oerervaring kunnen verschillen omdat ze dient geïncarneerd, belichaamd te worden in het hier en nù, zeg maar in de Wording (Tijd en Ruimte). Vandaar dat de uitdrukkingsvormen cultureel gebonden zullen zijn. Elke cul*tuur zal die ervaring volgens haar ingesteldheid, volgens haar uitdruk*kingsvermogen, volgens haar eigen karakter vastleggen.

Terugkeren naar de oerervaring van het Goddelijke betekent dan ook in de eerste plaats dat we onze kinderen leren spontaan zijn, d.w.z. volkomen zichzelf zijn; dat we hen ook leren dat men slechts tot de kern kan doordringen mits inspanningen, tegenslagen die zuiverend werken; dat we hen ook gemeenschapszin en verantwoordelijkheid aanleren; en dat we hen leren inzien dat het grotere geheel boven het kleinere staat, het volk boven het individu, het universum boven de mens... Tot slot moeten we hen leren omgaan met symbolen. Dit kan door het vertellen van sprookjes, legenden en mythen, door hen te wijzen op de gelijkenis tussen bv. de boom enerzijds en het menselijk leven, de gemeenschap, de kosmische wording, het Goddelijke centrum anderzijds. Kinderen associaties aanleren, leren hoe ze verbanden moeten leggen in hun geest en hoe ze daarnaar moeten leven, dàt is wat hen doet groeien in de heidense leefwereld, in de Goddelijke ervaring en in de Eenheid.

Nog even kort ter verduidelijking:

* Het Goddelijke omvat alles, is dus een eenheid, maar wordt als een veelheid ervaren binnen de verschillende culturen. Vandaar dat er verschillende Goden zijn, als zovele facetten van éénzelfde diamant.

* Dat impliceert dat er ook verschillende benaderingswijzen zijn ter verering van dat Goddelijke. Een volkomen tolerantie ten opzichte van een andere benaderingswijze is dus noodzakelijk. Missionering is uitgesloten.

* Daaruit volgt een volledig respect voor de culturele verscheidenheid, en de erkenning dat iedereen het eenvoudigst via de eigen identiteit, via de eigen tradities, via de eigen inzichten tot het Goddelijke komt. Universalisme wordt in dit verband beschouwd als religieus imperialisme met een totalitair karakter. Het universele is enkel op het Goddelijke niveau aanwezig, binnen de mensenmaatschappij geldt de verscheidenheid als norm.

* Daar het Goddelijke allesomvattend is, is dat Goddelijke in de natuur en in de mens, en deze natuur en deze mens zijn evenzeer in dat Goddelijke. De harmonie met de Goddelijke Orde bewaren, uw plaats in die Goddelijke Orde kennen en daarnaar handelen in volle verantwoordelijkheid, dàt is het doel van de Asatrúar.

*Daar iedereen een deeltje is van het voorgeslacht waaruit men voortkomt, en daar iedereen zelf een deeltje zal zijn van het nageslacht, vindt de Asatrúar het vanzelfsprekend dat hij zijn verantwoordelijkheid opneemt voor de bewaring van de Goddelijke Orde in de wereld van morgen. De natuur om zeep helpen door roofbouw, onverantwoord omspringen met gifstoffen, het betonneren van de grond... is het nageslacht en onszelf afsnijden van de Goddelijke Orde. Een catastrofale reactie volgt dan onvermijdelijk.

http://www.traditie.be/


Foto's van Activiteiten:

http://www.traditie.be/foto.htm