Results 1 to 2 of 2

Thread: Sagen Legende En Volksverhalen

  1. #1
    Senior Member
    Lykurgus's Avatar
    Join Date
    Oct 2008
    Last Online
    Friday, December 9th, 2011 @ 07:00 PM
    Ethnicity
    Diets
    Subrace
    white
    Country
    Dietsland Dietsland
    Location
    in het centrum der oorsprong
    Gender
    Posts
    143
    Thanks Thanks Given 
    0
    Thanks Thanks Received 
    0
    Thanked in
    0 Posts

    Thumbs Up Sagen Legende En Volksverhalen

    In het kader van De Maandelijkse Bijdragen....

    Sagen legende en volksverhalen
    De massale ontworteling en het totale verlies van verbondenheid in allerlei vormen waaronder die van volksbesef en volksbewustzijn, zijn mede verantwoordelijk voor de destructieve gevolgen ten aanzien van het volk. Terwijl men vroeger van generatie op generatie in dezelfde omgeving woonde en zich in de gemeenschap inzetten voor volk en traditie en tegelijkertijd deze voor de toekomst veilig stelde, is dit alles momenteel grotendeels verwoest en verloren gegaan.

    En toch heerst er bij mij een innerlijke en rotsvaste overtuiging dat wat nu wellicht verloren is gegaan kan worden herovert. Wellicht niet in de vorm zoals het vroeger was, maar wel zoals het na de herovering zal zijn nadat het opnieuw gevormd is.

    Terwijl het de vijand is die de wereld opnieuw probeert te scheppen alsof er altijd gemoderniseerde egocentrische individuen in leefde. En de ontworteling geschied met een rotgang, is er de beloning. Diegene die zich wel verbonden voelen met hun oorsprong, hun thuis, hun grond, hun volk, zij worden beloond met het oneindig gezwoeg voor het eerder genoemde.

    En terwijl een ieder aan zijn oorsprong is verplicht, nee veroordeeld, tot het besef dat hij zich onmogelijk kan onttrekken aan zijn oorsprong. Zij die dit besef eigen zijn zullen zodra zij het doelloos zwerven in de oneindige leegte moe zijn terugkeren, terugkeren tot hun oorsprong. Waaruit een verbondenheid kan groeien die de verlossing dient te zijn voor zowel het individu als het volk. Zij zijn het die beseffen dat hun volk hun alles is en koesteren liefde.




    Om een dergelijke ontworteling tegen te gaan zijn legende en volksverhalen een goed middel. Zij scholen de jeugd over de geschiedenis van streek en plaats. En laat zo de volgende generatie kennis maken met zowel generatie op generatie overgedragen verhalen als de geschiedenis van streek en traditie.


    Gelukkig is er een mooi initiatief vanuit de site:
    http://anonym.to/?http://www.beleven.org/sagen/

    Deze dient dan ook als bron materiaal voor de hieronder staande sagen en legende maar ook andere streek verhalen zijn uiteraard welkom alhier.Is er wellicht iets bekent over een gelijk Vlaams initiatief op dit gebied.





    De dolende Peelridder
    Verreweg het grootste deel van de uitgestrekte Peelvlakte is vandaag de dag drooggelegd en ontgonnen. In een gebied waar je honderd jaar geleden kon gaan noch staan, omdat je bij één verkeerde stap weg zou zinken in het verraderlijke moeras, liggen nu lieflijke dorpen door bloeiende velden en akkers omgeven.

    't Was vroeger een vreemd, angstaanjagend gebied. In het vlakke zwarte land stonden overal roerloze plassen, omringd door wit wuivend wollegras en riet. Het kon er zo stil zijn dat je de vleugelslag kon horen van de overvliegende grote moerasvogels.

    Een eindje verder, waar de heuvels tot diep in het veen doordrongen, stonden rond de oude schaapskooien oude, door de wind gebogen dennen, maar een huis, waar mensen en dieren woonden, was in de verste verte niet te bekennen.

    Alleen aan het uiterste randje, waar de langzaam glooiende heide doodliep in het drassige moerasland, waagden zich de boeren van de dorpen uit de buurt om turf te steken die later met een hotsende boerenkar over de hobbelige hei naar het dorp werden gebracht.

    't Was een geheimzinnig landschap en er gebeurden geheimzinnige dingen. Soms klonken er stemmen alsof er vlak naast je een gesprek werd gevoerd, maar als je dan om je heen keek, was er niemand te zien, want de mensen die je hoorde praten, liepen in werkelijkheid uren van je vandaan, in een heel ander deel van het gebied.

    Vooral in de zomer kon je er worden verrast door luchtspiegelingen. Dan verschenen er aan de horizon bijvoorbeeld onverwacht een herder met zijn kudde schapen of en jager met zijn hond, die langzaam dichterbij kwamen. Na een korte tijd was dat allemaal weer even plotseling verdwenen als het gekomen was; het beeld loste als het ware op in de hete lucht die rusteloos over de verlaten vlakte danste.

    De smalle paden die kris kras door dit land liepen, groeiden vaak dicht als ze een tijdje niet werden gebruikt en ze in de warreling van de braambossen en struiken kon je ze niet meer terugvinden. Alleen zij die van jongs af in de Peel hadden gejaagd, wisten de weg. Aan een bijna onmerkbaar kleurverschil van de bodem aan de druk onder hun voorzichtig neergezette voetzool, wisten ze hoe ze zich moesten bewegen over de broze grond, door nu eens links en dan weer rechts te stappen, terwijl aan beide kanten het slijkerige vocht van het verraderlijke moeras opbolde.

    Wie over de verlaten vlakte rondzwierf met het geweer in de hand, hetzij om te jagen, hetzij om te om te stropen, had er vaak vreemd ontmoetingen. Zo kon het in de Venraaise Peel gebeuren dat er vlak voor je voeten een groot hert met breed vertakt gewei opsprong, maar voor je dan aan kon leggen en het om kon leggen, was het spookhert alweer in de morgenmist verdwenen.

    Soms zag je in de verte een smeulend vuur en dan rook je al op afstand de doordringende geur van brandende schapenhoeven. Dan woei de wind uit de richting van het onpeilbaar diepe Soemeer, dat juist op de grens van Brabant en Limburg lag. Daar was de ingang van de hel, zei men, want waar kon de duivel zich beter thuis voelen dan in de Peel?

    Niemand peinsde er dan ook aan om naar het meer te gaan, hoewel het goed te bereiken was als je de weg kende, want men geloofde dat de grootmoeder van de duivel zojuist de doordeweekse kleren van haar kleinzoon in het meer gewassen had en ze nu te drogen had gehangen boven een vuur dat ze op de heuvels had gestookt van schapenhoeven om er een frisse geur aan te geven. Daarom was het water van het Soemeer zo intens zwart.

    In de kerstnacht luidde daar in de diepte de gezonken klok, die men eeuwen geleden via Deurne langs de ongebaande Peelwegen naar Sevenum had willen brengen. Het was slecht afgelopen met degenen die de klok vervoerden. De weg was lang en de dag kort, het liep tegen kerstmis en zo kwam pas tegen middernacht de Grootenberg in zicht, die op de grens van Limburg en Brabant ligt...

    Opeens zonk een karwiel in een kuil die de heksen, die in sommige winternachten hun sabbat op de Grootenberg vierden, gegraven hadden. In de dennen rond de schaapskooi op de berg loerden de heksen naar het verongelukte span: zij zagen hoe een paar mannen naar Sevenum trokken om een andere wagen te halen en hoe er twee kerels achterbleven om de klok en de kar met het gebroken wiel te bewaken.

    De heksen grepen hun kans en kwamen te voorschijn toen de twee in slaap sukkelden bij de wagen. Ze trokken de kar met klok en bewakers en al over de Peelvlakte en ze stortten het hele boeltje in het pikzwarte water van het Soemeer. Niemand heeft er nooit naar durven zoeken, maar elk jaar in de kerstnacht luidt de verdronken klok in het meer; dat hebben al vele stropers en boeren gehoord.

    Als het heel stil weer was, drong het klokgelui zelfs door tot in het dorp. Dat was een teken dat er geheimzinnige dingen stonden te gebeuren. Wanneer de roerdomp zijn sombere roep liet horen, dansten er dwaallichten over de Peelvlakte. Nu en dan zweefden ze van de moerassen naar het hoger gelegen land, en keerden dan weer terug. Wie de lichtjes zag, raakte in hun ban en wilde ze volgen. Wie ze achterna ging, verdwaalde onherroepelijk in het zwarte land, en kwam nooit meer terug.

    In stormachtige nachten, als gure regenvlagen over de vlakte gierden. Kon je er het eentonige klagelijke huilen horen van de herdershond die er ronddoolde sinds zijn meester op een najaarsnacht met de kudde verdwaalde en voor eeuwig in het veen verzonk.

    Dan kon je op de kronkelende weg van Meijel naar Sevenum ook de noodkreet van de dolende ridder horen, die weergalmde over de vlakte. Wanneer je op dat geluid afging, dan klonk de roep steeds verder weg, en voor je het wist had je de eerste stappen gezet in de Dolle Moer, waar de grond onder je voeten wegzakte, het veen zich vastzoog rond je enkels en waar je langzaam maar zeker naar de diepte werd getrokken, tot het zwarte veenland zich weer boven je hoofd sloot. "De dolende ridder heeft niet voor niets geroepen," zeiden de dorpelingen dan tot elkaar, "er komt geen einde aan zijn wraak."

    Eeuwen geleden is hij van de Maaskant met zijn mannen langs deze weg gekomen on de dorpen op het Brabantse zand in de nacht te plunderen, maar er werd op tijd alarm geslagen. Van alle kanten kwamen de boeren aangesneld, gewapend met zeisen, met dorsvlegels en turfschoppen. Tegen zo'n fanatiek vechtende overmacht was de roofridder niet opgewassen. Hij wilde naar het oosten vluchten, maar nog voor zijn mannen de Peelvlakte hadden bereikt, waren ze al ingehaald en afgemaakt door de woedende boeren. Alleen de goed bewapende ridder met zijn gouden sabel en zijn schildknaap bleven op hun sterke paarden de achtervolgers voor. In het donker raakten ze echter het spoor kwijt en ze reden in volle vaart over de weg die rechtstreeks naar het Dolle Moer leidde.

    Nooit zijn ze aan de overkant gekomen en met alles wat zij bij elkaar geroofd hadden, verzonken ze in de diepte.

    Ooit, zo zei men, zal de hebzuchtige ridder met zijn gouden sabel gevonden worden. Dan zal de weg van Meijel naar Sevenum weer veilig zijn, want dan zal het Dolle Moer zijn uitgedroogd en begroeid en kerktorens zullen in de Peel verrijzen.

    En jawel, de dolende ridder is gevonden door een turfgraver, in het diepveen, dicht bij de oeroude weg. Zijn verguld zilveren helm, zijn leerwerk van zijn schoenen en verschillende munten die hij bij zich droeg, kun je vandaag in het museum van Leiden bewonderen, maar de gouden sabel is nooit meer teruggevonden.

    http://anonym.to/?http://www.beleven...eelridder.html


    Het zigeunermeisje aan de galg
    In de buurt van Venlo was rond 1750 een groep zigeuners al dagenlang aan het kamperen. Ze waren ook al in de stad gezien. Op de markt hadden ze hun waren aangeboden en ze waren de huizen langsgegaan als scharensliep. Over zigeuners deed het verhaal de ronde dat ze zich, naast de handel en oude ambachten, ook bezighielden met criminele activiteiten. De inwoners van Venlo waren dan ook extra op hun hoede.

    Een boerin, van een hoeve naast de stad, in de buurt van het kampement, kwam in die tijd terug van de stad, waar ze wat eieren en knollen had verkocht. Toen ze de hoeve naderde, zag ze dat de deur openstond. Ze wist zeker dat haar man op het land was en dat ze zelf de deur had dichtgedaan, dus voorzichtig benaderde ze het huis. Ze keek eerst om een hoekje van de deur, maar zag nog niks. In het huis ging ze van kamer naar kamer, tot ze in de slaapkamer kwam. Daar zag ze een meisje van een jaar of acht een ring uit haar linnenkast pakken en in haar zak stoppen. Geschrokken haalde ze haar man erbij. De boer haalde er een stadswachter bij, die het meisje beetpakte en meenam naar de stad. Onderweg stopte hij even en keek het meisje aan. Zijn vinger maakte een gebaar langs zijn keel. Het meisje besefte welk lot haar te wachten stond.

    Een paar dagen later wordt het meisje uit haar cel gehaald en naar de kamer van de rechter gebracht. De rechter had bedacht dat volwassen booswichten aan de galg horen en geen meisjes van acht. Hij wil een proef doen met het meisje. Hij laat een appel en een goudstuk brengen, omdat hij denkt dat zo'n jong meisje misschien nog niet de waarde kent van de dingen en dus niet wist wat ze deed. Wat de rechter niet wist is dat kinderen van zigeuners al vroeg de waarde van goud leerden kennen. Als het meisje goud thuisbracht, kreeg ze geen slaag. Ze wist dat ze voor het goudstuk appels kon kopen, zoveel als ze maar kon dragen. Toen de rechter vroeg welke van de twee het meisje wilde hebben, pakte het meisje zonder aarzelen de munt.

    "Zij heeft haar eigen vonnis geveld," sprak de rechter. "Zij weet wat waarde heeft en wat niet, als een volwassen vrouw." De beul pakte het zigeunermeisje en bracht haar naar de galg op het galgenveld.

    Nog lang nadat het meisje was opgehangen, hoorden voorbijgangers op het galgenveld een klagende kinderstem "moeder, moeder" roepen. En misschien, als je goed luistert, hoor je het vandaag de dag nog steeds.


    Mede mogelijk gemaakt door de gemeente Venlo.


    http://anonym.to/?http://www.beleven...n_de_galg.html
    semper fidelis

  2. #2
    Senior Member
    Lykurgus's Avatar
    Join Date
    Oct 2008
    Last Online
    Friday, December 9th, 2011 @ 07:00 PM
    Ethnicity
    Diets
    Subrace
    white
    Country
    Dietsland Dietsland
    Location
    in het centrum der oorsprong
    Gender
    Posts
    143
    Thanks Thanks Given 
    0
    Thanks Thanks Received 
    0
    Thanked in
    0 Posts

    De vliegende Hollander

    De Vliegende Hollander

    Een Nederlandse sage over het beruchte spookschip
    De Vliegende HollanderWild joeg de storm landinwaarts. De zee rolde schuimend op de kade af en beukte tegen de bakboordzijde van het enige schip dat er gemeerd lag - een zwaarbeladen vrachtvaarder met bestemming Oost-Indië.

    Zó gruwelijk was het weer, dat geen van de bemanningsleden zich aan dek waagde. Alleen de kapitein, een grote, vierkante kerel met stalen zenuwen en een ruwe inborst, stond somber op de voorplecht. Hij keek met bliksemende ogen naar de opgezweepte golven, die hem beletten het vertreksein te geven. Door allerlei tegenslagen had hij de afvaart al enkele dagen moeten uitstellen en nu dwarsboomde die ellendige storm hem in zijn plannen zo gauw mogelijk met zijn kostbare lading zee te kiezen. Met gebalde vuisten stond hij daar op de voorplecht en vloekte. Wie of wat waagde het hém, de meest onbevreesde en dapperste schipper ter wereld, te dwarsbomen? Had hij zijn schip niet door de ruwste stormen gelaveerd langs verraderlijke klippen en zandbanken? Was hij niet sneller dan alle andere schepen van de Compagnie naar de Oost gevaren? Had hij niet tientallen malen bewezen dat geen zee hem te hoog was en geen storm te woest? Hij hield van de gevaren die bij het zeemansleven hoorden en hij was ertegen opgewassen.

    Zijn mannen voelden zich volkomen veilig onder zijn leiding en voerden zijn bevelen prompt uit. Zonder te morren en zonder vragen te stellen. Ze wisten dat ze op zijn beslissingen konden bouwen en ze vonden het niet erg dat hij als een bullebak tekeerging om zijn doel te bereiken. Tenslotte was de kapitein de baas aan boord en hij had hen door de hachelijkste avonturen altijd weer veilig thuisgebracht. Ja, de bemanning van de Oost-Indiëvaarder had ontzag voor de schipper en ging voor hem door het vuur. Al was hij nog zo eigenwijs en driftig.

    Maar nu maakte hij het toch werkelijk een beetje te bont. Terwijl de storm in het want huilde en de schuimende golven tegen de boeg beukten, verscheen hij grommend tussendeks en deelde op luide toon mee: "Weer of geen weer, morgenochtend om zes uur varen we uit!"

    De gesprekken van de matrozen verstomden en geen van de kaartende mannen durfde te zeggen wat hij dacht. Maar toen de bootsman zijn keel schraapte, knikte iedereen opgelucht. "Bezwaren, boots?" vroeg de schipper dreigend. "Het is morgen eerste paasdag, kapitein," antwoordde de bootsman. De matrozen vielen hem dankbaar bij. "Zo is het, kapitein!" riepen ze. En: "Daar zegt de boots een waar woord!" Want het was een heilige wet, dat een schip op eerste paasdag niet mocht uitvaren!

    De kapitein balde zijn vuist en liet hem krachtig neerkomen op de kaarttafel van zijn matrozen. "Niks mee te maken!" bulderde hij. "Eerste Paasdag of geen eerste Paasdag en storm of geen storm, ik vaar uit wanneer ik wil. Zorg dat morgenochtend vroeg alles klaar is voor vertrek en daarmee basta!" En hij begaf zich briesend naar zijn hut, waar ze hem urenlang hoorden vloeken boven het gebulder van de golven uit.

    Nog heviger en wilder dan de afgelopen dagen joeg de storm de volgende morgen op de kust aan. Hoger dan ooit striemden de golven de wanden van het schip, dat veilig langs de kade gemeerd lag. Zwarte wolken hielden de duisternis boven de haven vast. Maar tóch schalde de stem van de roekeloze kapitein over het dek: "Zeilen hijsen! Ankers lichten! We vertrekken!" Het klonk bijna juichend. Alsof het stoere bevel de storm kon doen luwen. De stuurman waagde een voorzichtig protest: " Kapitein," zei hij, "het is vandaag eerste paasdag en de mannen hebben er eigenlijk bezwaar tegen om op zo'n hoogtijdag uit te varen." Maar de kapitein lachte hem uit. "Ik ben de baas!" donderde hij. "En ik zeg dat we het anker lichten. Storm of geen storm, Pasen of geen Pasen!"

    De matrozen vlogen joelend de touwen in. Hun schipper was een moedig man en als hij het verantwoord vond uit te varen, wás het verantwoord. Wat drommel! Had hij hen niet over de wildste zeeën gevoerd en langs de gevaarlijkste kapen? Was hij niet de moedigste en knapste schipper ter wereld? Ze hesen de zeilen en hun overmoedige kreten overstemden het geweld van de storm. Maar terwijl ze gehoorzaam het bevel van hun schipper opvolgden en tegen beter weten in het schip reisvaardig maakten, klonk boven het orkaantumult uit het gebeier van de Paasklokken. "Het is Pasen, kapitein," probeerde de stuurman nog eens voorzichtig. De schipper vloekte krachtig. "Wat nou Pasen?" brieste hij. "Ik heb gezegd dat we uitvaren en dus varen we uit! Al zou ik tot in eeuwigheid moeten doorvaren, we gáán!" De matrozen waren er even stil van, maar werkten toch snel door.

    De kapitein van een nabij gemeerde vrachtboot kwam naar de reling en riep door zijn scheepstoeter: "Wat krijgen we nou? Varen jullie uit?" De trotse schipper lachte honend. "En waarom niet?" schreeuwde hij terug. "Man, je bent gek! Daar komen brokken van. Het is Pasen en bovendien kun je zo'n vreselijke storm nog geen mijl trotseren!" - "Dat zullen we dan nog wel eens zien," antwoordde de zelfverzekerde schipper. "In ieder geval varen we uit!" Hij gaf opdracht alle zeilen bij te zetten en toen de grote, witte doeken onheilspellend in de wind klapperden, beval hij de ankers te lichten.

    De bemanning was diep onder de indruk. Hun schipper was een kerel uit één stuk, een durfal! Wat had hij ook alweer gezegd? "Al zou ik tot in de eeuwigheid moeten doorvaren, we gaan!" Haastig legden ze de laatste hand aan de werkzaamheden, terwijl de kapitein ongeduldig op het dek heen en weer stampte. De bootsman zocht hem op om te melden dat alles in gereedheid was voor het vertrek. In de verte beierden de Paasklokken.

    "Uw bevelen zijn uitgevoerd, kapitein," zei de bootsman. De schipper stond nu doodstil op de voorplecht. Zijn ogen hadden een starre uitdrukking; zijn handen hingen slap langs zijn lichaam. Het was alsof alle leven uit hem geweken was. Ook de bootsman leek plotseling als aan het dek genageld en verroerde zich niet meer. En de matrozen in het want en op de dekken verstomden en bewogen niet meer. De kok stond roerloos achter het fornuis in de kombuis. De scheepsjongen verstijfde halverwege een buiteling op het tussendek. Alle mannen aan boord van de Oost-Indiëvaarder hingen of stonden of zaten sprakeloos en doodstil op de plaats die ze hadden ingenomen.

    Maar het schip kwam schokkend in beweging! Terwijl de bemanning als een verzameling standbeelden over het boven- en benedendek verdeeld was, bolden de zeilen zich vanzelf tegen de wind in. En zonder dat iemand iets deed, wendde het schip zijn steven en joeg de haven uit.

    Op de kade verzamelde zich een menigte nieuwsgierigen, die met stomme verbazing naar de wegrazende Oost-Indiëvaarder staarden. Ze konden hun ogen niet geloven. In het want, langs de reling en op het dek stonden de matrozen, de bootsman en de kapitein roerloos. Niemand van de opvarenden bewoog en toch schoot het schip over de golven, recht tegen de wind in! Wie had zo iets ooit meegemaakt? Een schip dat tegen de hevigste storm in vertrok... een schip waarvan de bemanning werkeloos toekeek... een schip dat de haven uitliep terwijl de Paasklokken luidden... De woorden van de overmoedige kapitein gingen van mond tot mond. "Al zou ik tot in eeuwigheid moeten doorvaren, we gáán!"

    Er ging een huivering door de mensen op de kade. Zo'n overmoedige uitdaging schreeuwde gewoon om straf! En alsof de vrees van de toeschouwers onmiddellijk werd omgezet in een zichtbare waarschuwing, gebeurde er iets merkwaardigs. De lucht boven het vertrekkende schip was grauw bewolkt en nergens was ook maar een straaltje zon te zien. Maar tóch lichtten de zeilen op als vurige vanen. En hoewel geen rooksliert wees op een plotselinge brand aan boord veranderde de witgeschilderde scheepsromp in een zwartgeblakerd karkas.

    De mensen op de kade keken met ingehouden adem toe tot de vurige zeilen van het spookschip aan de kim verdwenen. Bezorgd keerden ze huiswaarts, terwijl ze zich afvroegen hoe het avontuur voor de opvarenden van de Oost-Indiëvaarder zou aflopen. Boven hun hoofden beierden de Paasklokken...

    Het wonderlijke spookschip legde in geen enkele haven van Oost-Indië aan. Het keerde ook niet terug naar een Nederlandse haven. De achtergebleven vrouwen en verloofden kregen geen brieven van de opvarenden en de rederij ontving geen bericht van aankomst ergens ter wereld. Zo moest men na verloop van tijd dus wel aannemen dat het schip van de roekeloze kapitein met man en muis vergaan was. Maar vreemd genoeg spoelden er nergens wrakstukken aan. De mensen in het vaderland vergaten het gebeurde en dachten niet meer aan het spookschip. Alleen een enkele moeder bad 's avonds voor het slapengaan nog steeds om de terugkeer van haar zoon en een aantal achtergebleven vrouwen blééf hopen op een veilige thuisreis van haar man.

    De maanden werden jaren en het was alsof de tijd de herinnering aan het spookschip had opgeslokt.

    En toen gebeurde er iets merkwaardigs. Op een dag koerste een volgeladen vrachtvaarder uit de Oost terug naar het vaderland. Voortgedreven door een stevige oostenwind voer het schip op één zeil langs Kaap de Goede Hoop. Plotseling liet de matroos die op de uitkijk stond een kreet van verbazing horen. Hij wreef zijn ogen uit en vroeg zich af of hij misschien droomde. Daar zag hij me vlakbij aan bakboord ineens een schip achter een golf te voorschijn schieten. En geen gewoon schip! De zeilen waren vuurrood en stonden bol tégen de wind in. Stel je dat eens voor: een schip dat tegen de wind in zeilde alsof dat de gewoonste zaak van de wereld was. De matroos slaakte nogmaals een kreet van schrik en van alle kanten kwamen zijn maats toesnellen. Ze staarden allemaal met open mond naar het merkwaardigste schip dat ze ooit langs hadden zien jagen. Ze zagen de vurige zeilen die tegen de wind in bolden, de zwartgeblakerde romp en masten, het doodstille voor- en achterdek... Die stilte was nog het vreemdst van alles. Er zat geen uitkijkpost in het kraaiennest; er klommen geen snelle matrozenvoeten in het want en op de brug stond geen bevelende kapitein. Het enige dat in de nabijheid van het schip bewoog, was een zwarte vogel die rond de mast cirkelde.

    "Een spookschip!" riep een van de mannen ontzet. "Haal de kapitein!" De bootsman ging naar de hut van de schipper, maar voor de twee mannen aan dek waren, was het merkwaardige schip even snel weer uit het gezicht verdwenen als het was opgedoken.

    De kapitein lachte zijn matrozen uit. "Een spookschip?" zei hij smalend. "Jullie hebben waarschijnlijk last van een zonnesteek. Spookschepen bestáán helemaal niet!" En hij beval zijn bemanning onmiddellijk weer aan het werk te gaan en niet meer over het zogenaamde spookschip te spreken. Maar hij kon niet voorkomen dat verschillende matrozen zwijgend voor zich uit bleven staren en af en toe het hoofd schudden. Ze hadden het toch met hun eigen ogen gezien: een schip dat tégen de wind in voer met vurige zeilen en een zwartgeblakerde romp!

    Steeds meer berichten over een ronddolend spookschip bereikten het vaderland. Een heleboel mensen geloofden de berichten en anderen haalden er de schouders over op. Een schip dat tegen de wind in voer met gebolde zeilen! Een schip waarop geen matrozen in het want bewogen en geen schipper op de brug stond! Een schip met bloedrode zeilen! Kom nou! En iedereen had het zogenaamd gezien in de buurt van Kaap de Goede Hoop! Het moest dus wel een fabeltje zijn.

    Maar de rederijen kregen steeds meer moeite om matrozen voor hun schepen aan te monsteren. En steeds meer kapiteins zeiden: "Ik vaar liever niet rond Kaap de Goede Hoop." Want het verhaal deed de ronde, dat het spookschip dood en verderf verspreidde, dat ieder die het zag een gruwelijke ziekte onder de leden kreeg, zodat een vooruitstrevende Compagnie zijn beste kapitein uitzond om de zaak van het spookschip te onderzoeken. Er moest maar eens een eind komen aan de geruchten over dat gekke, ronddolende vaartuig met vuurrode zeilen en zwartgeblakerde romp, dat altijd in de buurt van Kaap de Goede Hoop werd waargenomen! Er moest maar eens een eind komen aan de overdreven angst van matrozen voor een schip dat natuurlijk helemaal niet bestond!

    Maar de beste kapitein van de ondernemende Compagnie zag het met eigen ogen: zodra hij Kaap de Goede Hoop rondde, werd zijn koers bijna gekruist door een plotseling opdoemende tegenligger met vuurrode zeilen en een zwartgeblakerde romp. De onverschrokken schipper rende niet angstig naar zijn hut en werd niet wanhopig. Hij bleef verstandig en zei: "Dit kán niet!" Waarna hij alle hens aan dek riep en een toespraak hield. "Mannen," zei hij, naar het voortjagende spookschip wijzend, "wat we daar voor ons zien, moet een zinsbegoocheling zijn. Op dat vreemde schip zijn geen mensen en toch zijn de zeilen gehesen en vaart het recht tegen de wind in. Hiervoor kan niemand een verklaring geven."

    Terwijl hij sprak, gebeurde er iets angstaanjagends. Het spookschip wendde zijn steven en voer in volle vaart recht op de schoener van de dappere kapitein af. De matrozen schreeuwden het uit. "Pas op! We worden overvaren!" Maar het was al te laat. Zonder vaart te minderen, schoot het spookschip naderbij. Op de voorplecht zagen ze nu duidelijk de gestalte van een man met wapperende witte haren, maar verder bewoog er niets aan hem. En op het dek lagen kris kras door elkaar matrozen roerloos tegen de mast en de reling. "Stop dan toch!" riepen de angstige mannen van de schoener. Het spookschip stoorde zich niet aan hun wanhoopskreet, zweefde voort over de golven en... voer dwars door de schoener heen! Geen schok of trilling werd aan boord van de schoener gevoeld; alleen een ijskoude windvlaag...

    Het duurde geruime tijd voor de bemanning van de schoener weer durfde spreken.

    "Zoiets heb ik nog nooit meegemaakt," zei de bootsman tenslotte met schorre stem. "Ik denk dat ik oud word." Maar ze hadden het allemaal met eigen ogen.gezien: de zwartgeblakerde romp en mast, de vuurrode zeilen, de roerloze schipper op de voorplecht. Ze hadden allemaal de ijskoude bries gevoeld op het moment dat het spookschip dwars door de schoener heenvoer.

    "Het was een Hollander," mompelde de kapitein bleekjes. "Hij voerde de Hollandse vlag!"

    "De Vliegende Hollander," zei iemand. En die naam ging van mond tot mond. Straks, thuis, zouden ze trots vertellen dat ze de Vliegende Hollander bijna aangeraakt hadden.

    Weer verstreken er jaren. Oude schepen maakten hun laatste reis en nieuwe gingen onder feestgedruis voor het eerst te water. Alleen de Vliegende Hollander joeg eindeloos voort over de golven rond Kaap de Goede Hoop. De roekeloze kapitein had het tientallen jaren geleden over zichzelf en zijn bemanning uitgeroepen: "Al zou ik tot in eeuwigheid moeten doorvaren."

    Misschien komt eens het moment van rust voor het ronddolende spookschip. Misschien is dat moment zelfs al aangebroken. De laatste tijd heeft niemand De Vliegende Hollander meer gezien en het is dus mogelijk, dat de hovaardige kapitein eindelijk tot inkeer is gekomen. Laten we het voor hem en zijn bemanning hopen, want er bestaat geen groter straf van de hemel dan eeuwig voort te moeten jagen over de oeverloze zeeën en oceanen zonder ooit ergens te mogen aanleggen.

    bron
    semper fidelis

Similar Threads

  1. De Oud-Nederlandse Sagen En Liederen
    By Aragorn in forum Netherlands & Flanders
    Replies: 4
    Last Post: Thursday, October 30th, 2008, 10:22 PM
  2. De legende van Hees
    By Aragorn in forum Netherlands & Flanders
    Replies: 0
    Last Post: Friday, July 18th, 2008, 11:11 AM
  3. Bokkerijders, Legende of Leugen?
    By The Lawspeaker in forum Netherlands & Flanders
    Replies: 0
    Last Post: Friday, March 14th, 2008, 02:12 PM
  4. Sagen en legenden van Zuid-Limburg
    By Frans_Jozef in forum Netherlands & Flanders
    Replies: 5
    Last Post: Friday, August 25th, 2006, 11:20 PM

Bookmarks

Posting Permissions

  • You may not post new threads
  • You may not post replies
  • You may not post attachments
  • You may not edit your posts
  •