In het Nieuwe Europa

De Europese gedachte bij de Nieuwe Orde en collaboratiebewegingen in Vlaanderen (1931-1944)

Tom Cobbaert

9 mei 1950 wordt algemeen beschouwd als een historisch keerpunt voor Europa. Op die dag legde Robert Schuman, met zijn verklaring voor een Europese Federatie, de grondslag voor een geïntegreerde en supranationale samenwerking tussen de staten van Europa. Vele historische overzichten van de Europese samenwerking laten de integratie aanvangen met die rede, het merendeel verwijst ook naar het Pan-Europa van Coudenhove-Kalergi en de Association européenne van Briand. Algemeen wordt de Europese integratie gezien als een proces dat pas van start kon gaan na een radicale ommezwaai in de denkwijze van politici, tengevolge van de volledige ineenstorting van Europa en het politiek en economisch verval van de Europese staten. Europese samenwerking kwam voort uit het besef dat een verscheurd Europa geen rol meer kon spelen in een bipolaire wereldpolitiek, de roep om “Nooit meer oorlog!” na het trauma van twee wereldoorlogen en de wens en het verlangen naar een vrije en rechtvaardige wereld.

Toch is de historiografie van de Europese gedachte niet zo eensgezind als men zou vermoeden. Terwijl deze voor 1945, onder invloed van Coudenhove-Kalergi’s “Paneuropa”, hoofdzakelijk ideologisch geïnspireerd was, kwam na de oorlog een in hoofdzaak wetenschappelijke geschiedschrijving over de Europese eenwording op gang. Die geschiedschrijving kaderde vooral in het streven naar Europese integratie en stond er ook mee in relatie. Er waren verschillende ‘traditionele’ scholen en ‘moderne’ stromingen te onderscheiden, die elk op een andere manier naar Europa keken en aldus de historische kijk op Europa beïnvloedden.

Een eerste ‘traditionele’ school die we kunnen onderscheiden was de zogenaamde “Klassieke” school van de integratie-historiografie. Deze school kan zowat de belangrijkste binnen dit historiografisch kader worden genoemd, omdat zij dankzij haar grote verspreiding en brede bekendheid het geschiedbeeld van de Europese integratie gevormd heeft. Een van de belangrijkste personen uit deze klassieke school was Walter Lipgens, die in 1985 het gezaghebbende Documents on the history of European Integration publiceerde. Zijn doelstelling, en deze van de gehele klassieke school, was te onderzoeken hoe vanuit een idee een verenigd Europa kon ontstaan. Lipgens kan dan ook als een ideeënhistoricus worden gecategoriseerd, waarbij hij net als enkele vooroorlogse auteurs de oorsprong van Europa in de Middeleeuwen bij Karel de Grote ging zoeken. De klassieke school was dan ook bij uitstek een idealistische school, die vanuit haar geloof en bewondering voor het Europese integratieproject werkte rond een breed Europa-concept dat een Europees verleden, een Europese identiteit, een Europese toekomst en een Europese cultuur omvatte. Het geloof in het verenigde Europa was rotsvast en de Verenigde Staten van Europa waren een nabije werkelijkheid, een onontkoombaar fenomeen. Deze klassieke school kende haar hoogtepunt in de eerste jaren van de Europese integratie, met name in de jaren vijftig en zestig (De Rougemont[1] en De Sainte-Lorette[2]), maar ook later waren er nog historici, zoals Hendrik Brugmans[3], die we kunnen plaatsen in deze klassieke traditie.[4]

Een tweede ‘traditionele’ school of visie die we terugvonden was de onvermijdelijke marxistische school en haar geschiedbeeld van de Europese integratie. De marxistische school kwam overeen met de klassieke school inzake haar ideologisch karakter en de primering van de ideeëngeschiedenis. Natuurlijk werd het integratieproces op een andere manier onderbouwd en stelde men dat integratie “de uitkomst was van de zich historisch-dialectisch steeds verder ontwikkelende internationale arbeidsverdeling en internationale vergemeenschappelijking van het economische leven”. De integratie op kapitalistische grondslag zoals het in de EGKS en de latere EEG bestond was echter geen duurzaam leven beschoren en was tot ondergang gedoemd. In de marxistische analyse werd een federaal Europa dan ook consequent afgewezen, alhoewel er een evolutie waar te nemen was parallel aan de vreedzame coëxistentiepolitiek van Chroetsjov. De marxisten hadden er ook alle vertrouwen in dat de Europese integratie niet zo’n vaart zou lopen omdat ze niet werkbaar werd geacht. In het kader van de Europese historiografie waren de marxistische historici vooral van belang voor hun alternatieve kijk op het integratieproces. Zij legden nadruk op de mislukkingen van het proces (Europese Defensie Gemeenschap[5]), hadden een scherp oog voor de interne tegenstellingen (noord-zuid) en namen een kritische houding inzake Europa’s beleid ten aanzien van derde landen (verhouding tussen Europa en de Verenigde Staten van Amerika).[6]

De stagnatie van het Europese integratieproces in de jaren zeventig en tachtig versterkte de kritische houding van historici ten opzichte van de klassieke benadering van de Europese eenmaking. Samen met de ontsluiting aan het einde van de jaren zeventig van het eerste primaire bronnenmateriaal inzake de Europese integratie kwamen er nieuwe ‘moderne’ stromingen in de Europese historiografie tot stand.[7]

Als eerste ‘moderne’ stroming kunnen we in dit verband de diplomatieke geschiedschrijving noemen, gekend omwille van haar eruditie inzake archiefonderzoek. Inzake de historiografie van de Europese gedachte maakten zij zich verdienstelijk door een inzicht bieden in de complexe onderhandelingen van de Europese verdragen en de compromissen van de uiteenlopende nationale visie en belangen hierbij.[8]

Een tweede ‘moderne’ stroming die opgang maakte in de jaren zeventig en tachtig was de Milward-school, een verbond van jonge historici die zich lieten inspireren door de economisch historicus Alan Steele Milward. De Milward-school spitste zich in het onderzoek vooral toe op het Europese beleid en de multilaterale besluitvorming. Hun grootste verwezenlijking inzake de Europese historiografie was evenwel de tegenstelling tussen de nationale belangen en het Europese belang dat zij in het licht stelden. De Milwardianen vielen de “klassieken” frontaal aan door te stellen dat de Europese verdragen geen stappen zijn in de richting van een Europese eenwording. De grote verdragen van de Europese integratie waren volgens hen in de eerste plaats het resultaat van bikkelharde onderhandelingen tussen soevereine staten die hun eigen nationale belangen optimaal wilden behartigen. Het “Europees gehalte” van de grote verdragen was voor hen dus minimaal. [9]

De Milwardianen waren evenwel niet de enige ‘iconoclasten’ die opgang maakten in deze ‘moderne’ historiografische revolutie. Zo waren er de possibilisten, die stelden dat de Europese integratie geen gegeven procesmatige ontwikkeling naar eenheid was, maar één van de mogelijke uitkomsten van het menselijk handelen.[10] Op het einde van de jaren negentig bekritiseerden een aantal historici de nadruk die men vroeger op het belang van de naties legde. Daartegenover werd er meer aandacht besteed aan de invloed van drukkingsgroepen in het integratieproces, de zogenaamde multilevel-analyse. Heel recent evolueerde de studie, vooral in de politieke en sociale wetenschappen, naar transnational networks, zoals het werk van Bastiaan Van Apeldoorn.[11]

In reactie tegen deze ‘iconoclastische’ historiografie en vanuit een hernieuwd Europees optimisme in de jaren negentig, naar aanleiding van het Verdrag van Maastricht en de oprichting van de Economische en Monetaire Unie (EMU), ontwikkelde zich de neo-klassieke school die het geloof in de Europese eenwording opnieuw hoog in het vaandel stelde. In tegenstelling tot de vroegere ‘klassieken’ onthield zij zich van de hagiografie waar de klassieke historiografie soms in verviel. Ten gevolge van de historiografische revolutie in de jaren tachtig stelde zij zich ook veel kritischer op inzake de Europese eenwordingsgeschiedenis. Een goed voorbeeld was Bossuat die in 1994 samen met Girault de bundel Europe brisée, Europe retrouvée: nouvelles réflexions sur l’unité européenne au XXe siècle[12]opstelde. Verder vinden we bij de vertegenwoordigers onder andere Den Boer[13], Bussiere, Dumoulin en Trausch[14].

Het Verdrag van Maastricht en de oprichting van de EMU versterkten niet alleen de positie van pro-Europeanen, ook de eurosceptici profiteerden van deze evoluties om hun kritiek te hernieuwen. Een opmerkelijk euroscepticus was de Brit John Laughland, die stelde dat de na-oorlogse Europese gedachte deels haar oorsprong vond in de ideologie die ze bestreed, het nazisme. In zijn boek The Tainted Source besprak hij uitgebreid de nazistische Europa-gedachte, die volgens hem te goed onderbouwd en uitgewerkt was om als een hypocriete propagandistische uitvinding, die de Duitse agressie moest verdoezelen, van de hand te doen. Verder stelde Laughland dat Duitsland en Frankrijk de Europese integratie als voorwendsel gebruiken om, in navolgingen van de nazi’s, een Europese grootruimte te ontwikkelen waarin beide landen de bovenhand zouden hebben.[15]

Eurosceptici verwierpen radicaal het pro-Europese en politiek correcte beeld van de Europese gedachte als een na-oorlogs, democratisch, pacifistisch en humaan concept. Britse anti-Europeanen konden ‘Europa’ niet in overeenstemming brengen met hun historisch politiek liberalisme. Het probleem met Europa was het “democratisch deficit” van de Europese Unie, een thema waar ook de pro-Europeanen zich van bewust waren. De machinisten van de Europese samenwerking hebben altijd geprobeerd de democratie centraal te plaatsen in het integratiestreven. Zo moest de uitbreiding met Spanje, Portugal en Griekenland in de jaren tachtig aantonen dat de Europese integratie ook van politieke aard was en de drie rechts-autoritaire regimes werden in “het Europa van de democratische waarden” opgenomen. In de jaren tachtig en negentig rezen, naar aanleiding van enkele schandalen, zowel bij sceptici als bij voorstanders vragen over het democratisch gehalte van de Europese samenwerking. In Maastricht, Amsterdam en Nice zochten de Europese leiders vergeefs naar een manier om de Unie als “open, sociaal en democratisch” te profileren bij de burgers, wat de tegenstand deed toenemen. Met het Verdrag van Laken werd eind 2001 de Europese Conventie opgericht die Europa duidelijker en democratischer moet profileren en aldus dichter bij de burger brengen. Daarenboven mag de Europese Unie in mei 2004 tien nieuwe lidstaten, waaronder acht oud-communistische regimes, verwelkomen. Pro-Europeanen hopen dat de Conventie en de uitbreiding aantonen dat de Europese samenwerking haar democratische waardengrondslag hoog in het vaandel draagt. Daartegenover verwachten eurosceptici niet veel heil van de Conventie en de uitbreiding kan volgens hen enkel de macht van de ‘eurocraten’ versterken.

Wanneer we dit dramatisch contrast tussen pro-Europeanen en eurosceptici historiografisch bekijken, blijkt dat het interbellum en de oorlogsjaren een essentieel scharnierpunt vormden. De “Klassieke” pro-Europeanen verwezen vooral naar Coudenhove-Kalergi en Briand in het interbellum en de diverse plannen van de geallieerden en het verzet tijdens de oorlog. Zij gingen dan ook een discussie over een Europese gedachte bij het fascisme en nazisme angstvallig uit de weg om het democratische profiel van Europa niet in gevaar te bregen. Anti-Europeanen, zoals Laughland, benadrukten daarentegen de Europese gedachte bij extreem-rechts om het democratisch deficit van de Europese samenwerking te veroordelen. Daarom was de noodzaak van een kritisch historisch onderzoek er zeker niet minder op geworden en werden er in de voorbije jaren reeds enkele studies ondernomen omtrent extreem-rechts en de Europese gedachte.[16]

Het onderzoek naar de Europese idee bij extreem-rechts spitste zich voornamelijk toe op het Duits nazisme en het Italiaans fascisme, alhoewel er in het voorbije decennium reeds enkele studies over andere Europese landen verschenen.[17] In België concentreerde het onderzoek zich op de diplomaten en de intellectuelen van het Belgisch establishment.[18] Daarnaast maakt de voornaamste Waalse extreem-rechtse beweging, Rex, deel uit van het lopende doctoraatsonderzoek van Geneviève Duchenne.[19] Het brede spectrum aan extreem-rechtse bewegingen in Vlaanderen werd daarentegen nog niet onderzocht en het is de betrachting van deze licentiaatsverhandeling deze lacune op te vullen.

Zo komen wij tot de volgende vraagstelling: Is er in Vlaanderen een Europese gedachte terug te vinden bij de Nieuwe Ordebewegingen in het interbellum en de nazistische collaboratiebewegingen tijdens de Tweede Wereldoorlog? Wat was het belang van deze gedachte in de ideologie van deze bewegingen? Kunnen er een aantal thema's onderscheiden worden? Zijn er belangrijke overeenkomsten of verschillen tussen de verscheidene bewegingen? Zijn er invloeden van het Italiaans fascisme, het Duits nazisme of andere rechts-radicale groeperingen?

Het panorama van extreem-rechts in Vlaanderen tijdens het interbellum en de Tweede Wereldoorlog was veelkleurig. Uit de literatuur kunnen we zeven verschillende bewegingen distilleren: het Verbond van Dietsche Nationaal Solidaristen, het Vlaamsch Nationaal Verbond, Rex-Vlaanderen, Nieuw Vlaanderen, de Eenheidsbeweging-VNV, de Algemeene Schutscharen Vlaanderen en de Deutsch-Vlämische Arbeitsgemeinschaft.[20]
Om de Europese gedachte bij deze bewegingen te bestuderen zijn er verschillende mogelijkheden. Wij opteerden ervoor om de respectieve weekbladen van de verschillende bewegingen als centrale bron te bestuderen, daar we vaststellen dat deze het medium bij uitstek waren om de ideologie onder het publiek te verspreiden. Iedere beweging had daarenboven een eigen weekblad, waardoor het makkelijker is vergelijkingen te maken tussen de onderscheiden bewegingen. Een bespreking van de verschillende weekbladen voegen we bij in bijlage.[21]

Als beginpunt voor de studie nemen we het jaar 1931, wanneer Joris Van Severen het Verdinaso oprichtte. Het eindpunt komt in september 1944 wanneer België door de geallieerden werd bevrijd en extreem-rechts in Vlaanderen voor een tijdje van het toneel verdween. Een logisch breekpunt lijkt dan ook mei 1940, de Duitse inval in België. De bronnen stellen ons evenwel voor een probleem, want enkele weekbladen liepen na een tijdelijke onderbreking verder en verdwenen pas in 1941 of verliezen in 1941 hun belang voor dit onderzoek. De weekbladen die de oorlogsperiode beslaan verschenen daarenboven pas vanaf 1941. Een belangrijk gegeven in dit opzicht is de oprichting van Eenheidsbeweging-VNV in juni 1941, want deze omvatte Verdinaso, VNV en Rex-Vlaanderen en hun respectievelijke weekbladen.[22] Om de eenheid van de bronnen te bewaren kiezen we ervoor om de breuklijn in 1941 te leggen. De resultaten van deze bronnenstudie splitsen we dan ook op in twee delen, een deel dat de periode 1931-1941 beslaat en een deel dat de periode 1941-1944 omhelst, respectievelijk delen twee en drie in deze verhandeling. In deel twee (1931-1941) maken we wel een duidelijk onderscheid tussen de periode voor mei 1940 en de periode erna.

Tenslotte willen we nog uw aandacht vestigen op de licentiaatsverhandeling van Joachim Theuwen die de Europese gedachte bij Nieuw-Rechts in Vlaanderen behandelt en in zekere zin historisch aansluit op onze verhandeling.[23] Samen willen we de aanzet vormen voor een ruimer onderzoek naar de relatie tussen Europa en extreem-rechts in Vlaanderen.

Lees verder HIER