PDA

View Full Version : Wodan - Carl Gustav Jung



Siegfried
Wednesday, March 9th, 2005, 03:16 PM
Wodan
Carl Gustav Jung

In Duitsland zullen verschillende sekten ontstaan,
Die het gelukkige heidendom zeer nabij zullen komen,
De onvrijheid van het hart en de geringe inkomsten,
Zullen de weg openen tot het betalen van de ware tol.
(Prophťties de Maistre Michel Nostradamus, 1555)


Met de Wereldoorlog (1914-1918) lijkt voor Europa een tijd aangebroken, waarin dingen gebeuren waarover vroeger hoogstens gedroomd werd. We hielden immers een oorlog tussen twee cultuurlanden al bijna voor een fabel, want we waren van mening dat zo'n absurditeit in deze rationele, internationaal georganiseerde wereld in toenemende mate onmogelijk werd. Wat na deze oorlog volgde, was een ware heksendans van fantastische revoluties, veranderingen van de landkaart, politiek teruggrijpen op middeleeuwse en antieke voorbeelden, staten die andere volkeren opslorpen, en die met een absolute aanspraak op totaliteit alle vroegere theocratische pogingen in dit opzicht ruimschoots overtroeven, christen- en jodenvervolgingen, politieke massamoord, en tenslotte nog een luchthartige piratenoverval op een vredig, half-geciviliseerd volk (2).

Waar dergelijke dingen in het groot gebeuren, mag men er zich volstrekt niet over verbazen wanneer zich in het kleine en kleinste even merkwaardige dingen afspelen. Op filosofisch gebied moeten we overigens nog even wachten tot iemand zich er grondig op bezonnen heeft in wat voor tijd we eigenlijk leven. Op religieus gebied echter spelen zich belangrijke dingen af. Dat in Rusland na de bonte heerlijkheden van de Grieks-orthodoxe kerk een wat betreft smaak en intelligentie erbarmelijke goddeloze beweging inzette, is eigenlijk niet verbazend, hoe betreurenswaardig laag het geestelijke niveau van de 'wetenschappelijke' reactie ook is. Tenslotte herademen we in het nabije Oosten ook, wanneer we vanuit de walm van deze lampenverzamelingen, die zich voor orthodoxe kerk uitgeven, in een fatsoenlijke moskee komen, waar de verheven onzichtbaarheid en alomtegenwoordigheid van God niet meer wordt vervangen door een overvloed aan rites en heilige instrumenten. En uiteindelijk moest ook voor Rusland eens de negentiende eeuw met zijn 'wetenschappelijke' Verlichting aanbreken. Dat echter in een wezenlijk cultuurland, dat al geruime tijd aan gene zijde van de Middeleeuwen werd gewaand, een oude storm- en roesgod, namelijk de zich sinds lang in ruste bevindende Wotan, nu weer, als een uitgedoofde vulkaan, tot nieuwe activiteit kon komen, is meer dan curieus; het is regelrecht pikant. Hij is, zoals we weten, tot leven gekomen in de jeugdbeweging, en werd meteen aan het begin van zijn wederopstanding geŽerd met een paar bloedige schapenoffers. Het ging om die blonde jongelingen (soms ook jonge vrouwen), die we als rusteloze zwervers zagen op alle landwegen, vanaf de Noordkaap tot aan SiciliŽ, uitgerust met rugzak en banjo, trouwe dienaren van de dolende zwerver-god. Later, tegen het einde van de Republiek van Weimar, werd dit zwerven overgenomen door de duizenden en duizenden werklozen, die we overal op doelloze zwerftochten aantroffen. In 1933 zwierf men niet meer, maar marcheerde men met honderdduizenden tegelijk, van vijfjarige kleuters tot en met veteranen. De Hitler-beweging bracht letterlijk heel Duitsland op de been, en produceerde het schouwspel van een volksverhuizing ter plekke. Wotan, de zwerver-god, was ontwaakt. In een Noordduitse sekte van eenvoudige mensen staat hij in een verenigingslokaal, gezeten op een wit paard, en beschroomd 'Christus' genoemd. Ik weet niet of deze mensen zich bewust zijn van Wotans oerverwantschap met de Christus- en Dionysus-figuur; waarschijnlijk is dat niet.

De rusteloze zwerver Wotan, de onruststichter, die nu eens hier, dan weer daar ruzie sticht of toverkunsten uithaalt, was eerst door het christendom in een duivel veranderd. Hij betekende slechts nog een flakkerend dwaallicht in stormachtige nachten, een spookachtige jager met zijn gevolg, en ook dit alleen maar in lokale tradities, die steeds meer uitstierven. In de Middeleeuwen echter werd de rol van de rusteloze zwerver overgenomen door de figuur van Ahasverus, wat geen joodse, maar een christelijke legende is. Dat wil zeggen: het motief van de zwerver, dat niet opgenomen is door Christus, werd op de joden geprojecteerd, op dezelfde manier waarop we onbewust geworden inhouden gewoonlijk in andere mensen terugvinden. In ieder geval is het samenvallen van antisemitisme en het opnieuw ontwaken van Wotan een psychologisch detail, dat wellicht genoemd mag worden...

Het ruisen in het oerwoud van het onbewuste is niet alleen vernomen door de zonnewende vierende Duitse jongeren, maar ook Nietzsche, Schuler, Stefan George en Ludwig Klages(3) hebben het opgevangen. De Rijnlandse cultuur - en die ten zuiden van de Main - kan zich overigens niet makkelijk bevrijden van zijn klassieke stempel. Ze verwijst daarom bij voorkeur (in navolging van classicistische voorbeelden) naar antieke roes en vervoering, namelijk naar Dionysus, de puer aeternus (eeuwige jongeling) en kosmogonische Eros4. Dit is ongetwijfeld gymnasialer, klinkt meer ontwikkeld dan Wotan. Deze laatste zou echter juister kunnen zijn. Wotan is een storm- en roesgod, een ontketenaar van hartstochten en strijdlust, en bovendien een oppermachtig tovenaar en illusionist, thuis in alle geheimen van occulte aard.

Nietzsche is overigens een bijzonder geval. Hij was argeloos wat Germaanse zaken betreft; hij heeft de 'schoolmeesterwijsheid' ontdekt, en toen 'God dood' was, ontmoette Zarathoestra een onbekende God in een onverwachte gedaante, de ene keer als vijand tegenover hem staand, de andere keer in Zarathoestra's eigen gestalte gehuld. Zarathoestra zelf is ook een waarzegger, tovenaar, en de stormwind:


'En een wind gelijk wil ik ooit eens tussen hen blazen, en met mijn geest hun geest de adem benemen: aldus wil het mijn toekomst.
Voorwaar, een sterke wind is Zarathoestra voor alle laagten; en deze raad geeft hij zijn vijanden, en al wat spuwt en spuugt: "Wacht u ervoor, tegen de wind in te spuwen!"(5)

In Zarathoestra's droom (6) over de grafbewaker van de bergburcht des doods rukt, wanneer hij de poort wil openen: een 'gierende windvlaag de vleugels uit elkaar: fluitend, piepend en snijdend wierp hij me een zwarte doodskist toe: onder gieren en fluiten en piepen scheurde de kist vaneen, en spuwde duizendvoudig gelach uit.'

De jongeling die deze droom verklaart, zegt tegen Zarathoestra: 'Zijt gij niet zelf de wind met zijn schrille fluiten, die van de burchten des doods de poorten openrukt? Zijt gij niet zelf de kist vol bonte boosaardigheden en 's levens engelentronies?' In dit beeld komt Nietzsches geheim machtig naar voren. Al in 1864 dichtte hij (7) ('Aan de onbekende God'):


Ik wil u kennen, onbekende,
Gij, diep in mijn ziel grijpende,
Mijn leven als een storm doorjagende,
Gij ongrijpbare, mij verwante!
Ik wil u kennen, zŤlf u dienen.
En twintig jaar later, in zijn schitterende Mistral-lied, zegt hij:
Mistral-wind, gij wolken-jager,
Droef'nis-moordenaar, hemel-veger,
Bruisende, hoe heb ik u lief!
Zijn wij beiden niet uit ťťn schoot
Eerstelingsgave, eeuwig
Voorbestemd tot ťťn lot?(8)

In het loflied 'Klacht van Ariadne'(9) genaamd, is hij volledig het slachtoffer van de god-jager, waaraan ook Zarathoestra's gewelddadige zelfbevrijding in laatste instantie niets meer verandert:


Uitgestrekt, rillend, een
Halfdode gelijk, die men de voeten warmt -
Geschokt, ach! door onbekende koortsen,
Bevend voor spitse, ijzige vorst-pijlen,
Door u gejaagd, Gedachte!
Onnoembare! Verhulde! Ontzettende!
Gij, Jager achter wolken!
Neergebliksemd door u
Gij honend oog, dat mij uit 't duister aanziet:
- zo lig ik,
Buig ik me, wentel me, gekweld
Door alle eeuwige gemartel,
Getroffen
Door u, wreedste Jager,
Gij onbekende - God!

De opmerkelijke gestalte van de jager-god is niet alleen maar een dithyrambische spraakfiguur, maar een beleving van de vijftienjarige Nietzsche in Pforta. Deze beleving is opgetekend in de door Elisabeth FŲrster-Nietzsche uitgegeven Autobiographische Aufzeichnungen(10). Hierin schildert Nietzsche een fantastische nachtelijke wandeling in een duister woud, waar hij eerst door een 'schelle schreeuw uit een nabijgelegen gekkenhuis' werd opgeschrikt, en daarna een jager met 'woeste, griezelige gelaatstrekken' ontmoette. In een dal, omgeven door 'wild struikgewas' zette de jager een fluit aan zijn mond, en liet een 'schrille toon horen', waarop Nietzsche het bewustzijn verloor, maar weer in Pforta ontwaakte. Het was een nachtmerrie geweest. Het is veelbetekenend dat de dromer, die eigenlijk naar Eisleben, de stad van Luther, wilde gaan, met deze jager de vraag bespreekt, in plaats van naar 'Teutschental' (dal van de Teutonen) te gaan. Het schelle gefluit van de stormgod in het nachtelijk woud kan nauwelijks verkeerd begrepen worden.

Was het werkelijk slechts de klassieke filoloog in Nietzsche, en niet uiteindelijk ook de fatale ontmoeting met Wagner, waardoor de god Dionysus heette, en niet Wotan?

In een merkwaardig visioen zag Bruno Goetz het geheim van de komende Duitse gebeurtenissen in zijn Reich ohne Raum. Ik heb destijds bij mezelf gedacht dat dit boekje een weersvoorspelling voor Duitsland was, en verloor het niet meer uit het oog. Het voorvoelt de tegenstelling tussen het rijk van de ideeŽn en dat van het leven, de dualistische god van de storm en van de geheime overpeinzingen. Wotan verdween toen zijn eiken geveld werden, en keerde weer terug toen het christendom te zwak bleek om de christenheid te behoeden voor een vreselijke broedermoord op grote schaal. Toen de Heilige Vader te Rome, ontdaan van alle macht, slechts nog tegenover God kon klagen over de grex segregatus (verdeelde kudde), toen lachte de eenogige oude jager aan de rand van het Germaanse woud, en zadelde Sleipnir.

We menen dat de moderne wereld een redelijke wereld is, en baseren deze mening op economische, politieke en psychologische factoren. Maar wanneer we even vergeten dat we in het jaar onzes Heren 1936 leven, en deze welgemeende, menselijk-al-te-menselijke redelijkheid even terzijde leggen, en wanneer we in plaats van de mens God of goden met de verantwoordelijkheid voor de huidige gebeurtenissen mogen belasten, dan zou Wotan als causale hypothese beslist niet zo gek zijn. Ik waag zelfs de ketterse bewering dat de oude Wotan met zijn afgronddiepe en nooit geheel gepeilde karakter meer van het nationaal-socialisme verklaart, dan de drie voornoemde rationele factoren tezamen. Ongetwijfeld verklaart elk van deze factoren op zichzelf een belangrijk aspect van de dingen die er in Duitsland gebeuren, maar Wotan zegt toch meer. Vooral is hij verhelderend wat betreft een bepaald algemeen verschijnsel, waar elke niet-Duitser, ook na zeer grondige overweging, in wezen vreemd en niet-begrijpend tegenover staat.

Wellicht mogen we dit algemene verschijnsel 'gegrepenheid' noemen. Deze uitdrukking veronderstelt in eerste instantie een 'gegrepene', maar ook een `aangrijper'. Wanneer men Hitler niet ronduit wil vergoddelijken - wat inderdaad ook al is gebeurd - blijft alleen nog Wotan over, die een 'aangrijper' van mannen is. Zijn neef Dionysus deelt weliswaar deze eigenschap met hem, maar schijnt zijn invloed ook uitgebreid te hebben tot het vrouwelijke geslacht. De Dionysische maenaden vormden toch een vrouwelijke SA, die, volgens mythische overlevering, niet ongevaarlijk was. Wotan beperkt zich tot de berserkers, die als lijfwachten van mythische koningen werden gebruikt.
Een kinderlijke geest ziet de goden als op zichzelf bestaande 'metafysische' entiteiten, of anders als een speels of bijgelovig verzinsel. Vanuit beide standpunten gezien zou de bovenstaande parallel tussen de herleefde Wotan en de sociaal-politieke en psychische situatie die het huidige Duitsland teistert, tenminste als een soort parabel kunnen gelden. Maar aangezien de goden onbetwiste personificaties van psychische machten zijn, is de bewering van hun fysische bestaan een even grote inbreuk van het verstand, als de mening dat ze verzonnen zouden kunnen worden. 'Psychische machten' hebben overigens niets te maken met het bewustzijn, hoe graag we ook met de gedachte spelen dat bewustzijn en ziel identiek zouden zijn. Dat is echter niets dan een aanmatiging van het intellect. De manie tot rationele verklaringen vindt natuurlijk een toereikende bestaansgrond in onze angst voor metafysica, want beide waren van oudsher vijandige broeders. `Psychische macht' heeft veeleer met de onbewuste ziel te maken. Daarom geldt alles wat ons vanuit dat duistere gebied onverwacht tegemoet treedt ůf als van buiten komend en daarom werkelijk, ůf als een hallucinatie, en daarom niet waar. Maar dat iets niet van buitenaf komt, en toch waar is, daar heeft de mensheid van ons tijdperk tot nu toe nauwelijks enige notie van.

Omwille van een beter begrip kunnen we uiteindelijk ook afzien van de bevooroordeelde naam en term 'Wotan', en dezelfde zaak 'furor teutonicus' (Duitse furie) noemen. Daarmee zeggen we dan hetzelfde, alleen niet zo goed. Want de 'furor' is in dit geval zuiver een psychologisering van Wotan, en zegt niet mťťr dan dat het volk in een toestand van 'woede' is. Daarmee blijft meteen een kostbare karakteristiek van dit hele verschijnsel, namelijk het dramatische aspect van de 'aangrijper' en de door hem gegrepenen, buiten beschouwing. Juist dit echter is het indrukwekkende van het Duitse fenomeen, namelijk dat iemand, die klaarblijkelijk gegrepen is, het hele volk dermate aangrijpt dat alles in beweging komt, aan het rollen gaat, en onvermijdelijk ook gevaarlijk gaat uitglijden.

Wotan lijkt mij een treffende hypothese. Zo te zien heeft hij slechts geslapen in de Kyffhšuser, totdat de raven hem het aanbreken van de dag meldden. Wotan is een fundamentele eigenschap van de Duitse ziel, een psychische 'factor' van irrationele aard, een cycloon, die de hoge culturele druk vermindert en wegblaast. De Wotan-gelovigen lijken ondanks al hun buitenissigheid de zaken duidelijker gezien te hebben dan de vereerders van de ratio. Wotan is - en dat heeft men blijkbaar volledig vergeten - een Germaans oergegeven, een waarachtigste uitdrukking en een onovertroffen personificatie van een karaktereigenschap, die vooral voor het Duitse volk fundamenteel is. Houston Stewart Chamberlain is er een verdacht symptoom van dat er ook elders verhulde en slapende goden bestaan. Germaans (in volkstaal 'arisch') ras, Germaanse volksaard, bloed en bodem, Wagalaweiagezangen, het rijden van de Walkuren, en Jezus als een blonde en blauwogige held, de Griekse moeder van Paulus, de duivel als internationale Alberich in joodse en vrijmetselaarsgedaante, Noordse cultuur - poollichten, minderwaardige mediterrane rassen - dat alles is een onmisbare enscenering, en bedoelt in wezen hetzelfde: de Duitsers zijn gegrepen door een god, en hun huis is gevuld 'door een geweldige wind'. Het was, als ik me niet vergis, kort na de machtsgreep van Hitler dat het bekende blad Punch een cartoon publiceerde, waarin een woedende berserker zich uit zijn ketenen losrukt. In Duitsland is het onweer losgebarsten, terwijl wij nog aan mooi weer geloven.

Bij ons in Zwitserland ruist er iets, nu eens vanuit het zuiden, dan weer vanuit het noorden, gedeeltelijk ietwat verdacht, gedeeltelijk onschuldig, zelfs zo idealistisch dat niemand iets merkt. 'Geen slapende honden wakker maken' - met deze lichtverteerbare wijsheid gaat het bij ons heel goed. Men heeft de Zwitsers al verweten dat ze een uitgesproken tegenzin hebben om zichzelf tot probleem te maken. Ik moet dat bestrijden: de Zwitser is nadenkend, maar voor niets ter wereld zegt hij dat, ook wanneer hij hier en daar wat tocht voelt. Zo betalen wij ons ongenoemde tribuut aan de Germaanse Sturm und Drang-tijd, en vinden onszelf heel wat beter, terwijl de Duitsers in eerste instantie een inderdaad unieke historische kans hebben tot in het diepst van hun hart te leren inzien, uit welke zielenood het christendom de mens heeft willen redden.

Duitsland is het land van geestelijke catastrofes, waar bepaalde natuurfeiten altijd slechts een schijnvrede met wereldheerseres Rede sluiten. De rustverstoorder is een oerwind, die vanuit AziŽs oneindigheid in een breed front over ThraciŽ tot Germania naar Europa waait, en nu eens van buitenaf volkeren als dorre bladeren bijeenblaast, dan weer van binnenuit inspireert tot wereldschokkende gedachten. Het is een elementaire Dionysus, die de Apollinische ordening doorbreekt. De verwekker van de storm wordt Wotan genoemd, en we kunnen heel wat over hem leren uit de geestelijke en politieke verwarringen en omwentelingen die hij in het verleden heeft veroorzaakt. Zijn karakter wordt ook duidelijk uit mythologische uitspraken uit tijden toen men nog niet alles verklaarde vanuit de mens en zijn beperkte mogelijkheden, maar toen men de diepere oorzaken in het zielsgebied en de autonome macht daarvan vond. De vroegste intuÔtie van de mens heeft deze machten altijd als goden gepersonifieerd, en ze heel zorgvuldig en uitgebreid in mythen gekarakteriseerd, overeenkomstig hun verschillende aard. Dit was des te eerder mogelijk omdat het hier om vaste, oorspronkelijke typen of beelden gaat. Deze archetypen of oerbeelden zijn aangeboren in het onbewuste van talrijke volkeren, en bepalen op hun beurt deze laatste in hun karakteristieke gedrag(11). Men kan daarom over een archetype 'Wotan' spreken, dat als autonome psychische factor collectieve effecten veroorzaakt, en daardoor een beeld van zijn eigen natuur ontwerpt. Wotan heeft zijn eigen biologie, gescheiden van het wezen van de individuele mens. Slechts van tijd tot tijd worden individuen gegrepen door de onweerstaanbare invloed van deze onbewuste factor. In de rustperiodes daarentegen is men van het bestaan van het archetype Wotan even onbewust als van bijvoorbeeld een latente epilepsie. Hadden de Duitsers die in 1914 al volwassen waren, voorzien wat ze in 1935 zouden zijn? Zů zijn echter de verbazingwekkende effecten van de windgod, die waait waar hij wil, en van wie niemand ooit weet vanwaar hij komt en waarheen hij gaat, die alles aangrijpt wat op zijn pad komt, en alles omverwerpt wat niet stevig staat. Wanneer de wind waait, wankelt alles wat uiterlijk of innerlijk onzeker is.

Onze kennis van Wotans aard werd onlangs op waardevolle wijze aangevuld en vervolledigd door een aan hem gewijde monografie van Martin Ninck(12). De lezer hoeft niet te vrezen dat het om een uitsluitend wetenschappelijke studie gaat, die zich academisch distantieert van haar onderwerp. Zeker, de aanspraak op objectieve wetenschappelijkheid is volstrekt gewaarborgd, en de stof is met een zeldzame volledigheid en grondigheid bijeengebracht en overzichtelijk gepresenteerd. Maar daarbovenuit voelt men dat de auteur zijn stof als iets levends ervaren heeft, dat de snaar Wotan ook bij hem meetrilt. Dat is geen kritiek - integendeel, het is een van de grootste verdiensten van dit boek, dat zonder dit enthousiasme gemakkelijk uiteen had kunnen vallen tot een saaie opsomming! Nu echter zit er lijn in dit geschrift, het leeft. We moeten vooral kijken naar het laatste hoofdstuk, 'Ausblicke' (vooruitzichten).
Ninck ontwerpt een prachtig portret van het Duitse archetype Wotan. In tien hoofdstukken beschrijft hij hem, aan de hand van bronnen, als de berserker, de stormgod en zwerver, de strijder, de wens- en minnegod, de Heer der doden, en de Heer van de gevallen helden, de kenner van geheime zaken, de tovenaar en de god der dichters. Ook zijn mythische gezelschap, zoals de Walkuren en Fylgja, worden genoemd, aangezien deze eveneens tot de noodlotsbetekenis van Wotan behoren. Heel verhelderend is het onderzoek naar Wotans naam en de oorsprong daarvan. Dit toont dat hij zowel de driftmatig-emotionele als de intuÔtief-inspirerende zijde van het onbewuste belichaamt, enerzijds als god van de woede en razernij, anderzijds als kenner van runen en lotsverkondiger.

Hoewel hij door de Romeinen met Mercurius vereenzelvigd werd, komt zijn karakteristieke aard eigenlijk niet met een Romeinse of Griekse god overeen. Met Mercurius heeft hij het wisselvallige gemeen, met Pluto het heersen over de doden, evenals met Cronus, met Dionysus is hij door de razernij verbonden, met name wat betreft het manische aspect daarvan. Het verwonderde me dat Ninck niet de hellenistische openbaringsgod Hermes heeft genoemd, die als pneuma en nous met wind is geassocieerd. Hermes zou de brug zijn naar het christelijke pneuma, en naar de verschijnselen van het pinksterwonder. Hermes is als Poimandres (herder der mensen) eveneens een 'aangrijper' van mannen. Ninck wijst er terecht op, dat Dionysus altijd ondergeschikt bleef aan de autoriteit van de allesbeheersende Zeus, zoals ook de andere antieke goden. Dit wijst op een diepgaand verschil tussen het Griekse en het Germaanse temperament. Ninck veronderstelt een innerlijke verwantschap tussen Cronus en Wotan. Het overwinnen van Cronus zou dan op een overwinning en een versplintering van het Wotantype in prehistorische tijden kunnen wijzen. In ieder geval betekent de Germaanse god een totaliteit op een primitief niveau; een psychische situatie waarin de mens nog nauwelijks iets anders wilde dan de god, en daarom noodlottig afhankelijk van hem was. Bij de Grieken echter bestonden er goden die hulp verleenden tegen andere goden, en de Alvader Zeus zelf was niet ver verwijderd van het ideaal van de welwillende, verlichte despoot.

Wotan echter vertoont geen ouderdomsverschijnselen; passend bij zijn aard verdween hij heel eenvoudig toen de tijden zich tegen hem keerden. Gedurende meer dan duizend jaar bleef hij onzichtbaar, dat wil zeggen hij werkte anoniem en indirect. Archetypen zijn nu eenmaal als rivierbeddingen, waaruit het water verdwenen is, maar ook na lange tijd kan het water elk moment haar bedding weer terugvinden. Een archetype is zoiets als een oud stroomgebied, waar de wateren van het leven eeuwenlang doorheen vloeiden en zich diep hebben ingeslepen. En hoe langer ze dezelfde richting aanhielden, des te waarschijnlijker is het dat ze vroeger of later weer daarheen terugkeren. Het leven van het individu als lid van de maatschappij en vooral als onderdeel van de staat mag dan wel zo gereguleerd zijn als een kanaal; het leven van volkeren echter is meer dan de loop van een woeste rivier, waarover niemand de baas is, in ieder geval niet de mens, maar Eťn, die altijd sterker was dan de mensen. De Volkerenbond, die supranationale autoriteit zou moeten bezitten, is volgens sommigen een kind dat nog beschermd en geholpen moet worden, en volgens anderen een misgeboorte. Zo rolt het leven van de volkeren onbeteugeld, zonder leiding voort, zoals een rotsblok dat van een heuvel afrolt, en slechts tot stilstand komt bij een zeer grote hindernis. Daarom beweegt het politieke gebeuren zich van de ene impasse naar de andere, als een wilde beek die vastloopt in kloven, kreken en moerassen. Wanneer niet de enkeling, maar de massa in beweging komt, dan houdt de menselijke controle op. De archetypen beginnen dan te werken, zoals dat ook in het leven van het individu gebeurt wanneer hij zich tegenover situaties geplaatst ziet die niet meer met de hem bekende middelen te beheersen zijn. Wat een zogenaamde 'FŁhrer' met een massa in beweging doet, kunnen we met alle wenselijke duidelijkheid zowel ten zuiden als ten noorden van ons land zien.

Het heersende archetype blijft niet altijd hetzelfde, wat zich bijvoorbeeld ook uitdrukt in het feit dat het verhoopte rijk van de vrede, het 'Duizendjarig' rijk, qua tijd begrensd is. Het mediterrane vaderarchetype, de ordenende, rechtvaardige en zelfs liefdevolle heerser, is in het hele noordelijke gebied van Europa tot in zijn grondvesten aangetast, zoals ook het huidige lot van de christelijke kerken getuigt. Het fascisme in ItaliŽ en de toestanden in Spanje laten zien dat de aantasting ook in het Zuiden veel verder gaat dan men eigenlijk had gedacht. Zelfs de katholieke kerk kan zich geen krachtmetingen meer permitteren.

De nationale god heeft het christendom op een breed front aangevallen. In Rusland noemt hij zich techniek en wetenschap, in ItaliŽ 'Duce' , en in Duitsland 'Duits geloof , 'Duits christendom' of de Staat. De term 'Duitse christenen'(13) is een innerlijke tegenspraak. Ze zouden er veel beter aan doen over te stappen naar Hauers Duitse geloofsbeweging(14), namelijk naar het kamp van die fatsoenlijke en goedbedoelende lieden, die enerzijds hun 'gegrepenheid' eerlijk toegeven, en die zich anderzijds de grootste moeite geven het nieuwe, onloochenbare feit, namelijk deze gegrepenheid, in een verzoenend en historisch juist gewaad te hullen, zodat het er minder afschrikwekkend uitziet. Zo vangen we vertroostende glimpen op van grote figuren, zoals bijvoorbeeld uit de Duitse mystiek Meester Eckhart: een Duitser, en ook een gegrepene. Op deze wijze wordt de aanstootgevende vraag vermeden wie de 'aangrijper' is. Het was immers altijd 'God'. Hoe meer echter Hauer zich vanuit de wereldwijde Indogermaanse sfeer in de richting van het 'Noordse' en vooral van de Edda beweegt, en hoe 'Duitser' het geloof als uitdrukkingswijze van de gegrepenheid wordt, des te duidelijker wordt het ook dat de 'Duitse' god de god der Duitsers is.

Men kan Hauers boek Deutsche Gottschau. GrundzŁge eines deutschen Glaubens, niet zonder ontroering lezen wanneer men het als een tragische en werkelijk heldhaftige poging van een gewetensvol geleerde beschouwt, die, zonder te weten hoe het hem is overkomen, als onderdaan van het Duitse volk geroepen en gegrepen werd door de onhoorbare stem van de 'aangrijper', en die nu met inspanning van al zijn kennis en kunde een brug tracht te bouwen die de duistere levensmacht moet verbinden met de lichte wereld van historische ideeŽn en figuren. Maar wat hebben al deze schone zaken van een anders geaarde mensheid en historie te zeggen tegenover de door de mensen van deze tijd nooit eerder ervaren ontmoeting met een even levende als afgronddiepe stamgod? Ze worden als dorre bladeren meegezogen met de gierende wervelwind, en de stafrijmen van de Edda dringen zich tussen de teksten van Duitse mystici, Duitse poŽzie en de wijsheid van de Oepanishads. Hauer zelf is gegrepen door de diepte vol vermoedens van Germaanse oerwoorden - in een mate waarvan hij zich vroeger beslist nooit bewust was. Dat ligt noch aan de indoloog Hauer, noch aan de Edda - want beiden bestonden al lang tevoren maar aan het aangrijpingspunt, dat op dit moment, bij nader inzien, nu eenmaal Wotan heet. Ik zou daarom de Duitse geloofsbeweging willen aanraden niet meer al te preuts te doen. Verstandige mensen zullen hen niet met de plompe Wotansgelovigen verwisselen, die uitsluitend een geloof nabootsen. Er zijn vertegenwoordigers van de Duitse geloofsbeweging, die intellectueel en menselijk volstrekt in staat zouden zijn niet alleen te geloven, maar ook te weten dat de god der Duitsers Wotan is, en niet de universele christelijke God. Dat is geen schande, maar een tragische belevenis. Het was van oudsher verschrikkelijk in de handen van de of van een levende god te vallen. Jahweh maakt hierop zoals bekend geen uitzondering, en er hebben ook Filistijnen, Edomieten, Amorieten bestaan, die buiten de Jahwehbeleving stonden, en die dit vast en zeker als onaangenaam ervoeren. De Semitische godsbeleving, Allah genoemd, was voor het voltallige christendom gedurende lange tijd een uiterst pijnlijke kwestie. Wij buitenstaanders beoordelen de huidige Duitsers te zeer als mensen die verantwoordelijk gesteld moeten worden voor hun daden. Het zou wellicht juister zijn ze tenminste ook als slachtoffers te beschouwen.

Wanneer wij onze, ik geef het toe opvallende, beschouwingswijze consequent toepassen, dan moeten we concluderen dat Wotan niet alleen zijn rusteloze, gewelddadige en stormachtige karakter zou moeten onthullen, maar ook zijn heel andere, extatische en mantische aard. Zou deze conclusie terecht zijn, dan zou het nationaal-socialisme nog lang niet het laatste woord zijn, maar zouden er in de komende jaren of tientallen jaren dingen te verwachten zijn die zich nu op de achtergrond bevinden - dingen waarvan we ons nu nog moeilijk een voorstelling kunnen maken. Het opnieuw ontwaken van Wotan is een stap terug, en een teruggrijpen op het verleden: de rivier is door een stuwing weer naar zijn vroegere bedding doorgebroken. Maar zo'n stuwing duurt niet eeuwig; het is eerder een 'reculer pour mieux sauter', en het water zal over de hindernis heenstromen. Dan zal blijken wat Wotan 'murmelde met Mimirs hoofd':


Wat murmelt nog Wotan met Mimirs hoofd?
Reeds kookt het in de bron: de kroon van de wereldboom
gloeit op bij 't geluid van de Gjallarhoorn,
die Heimdal tot heirroep heeft aangeheven.
De boom beeft, blijft toch nog staan
met ruisend lover, tot Loki zich losrukt.
Wild huilt de hond voor de hellekloof
tot de razende renner de ketenen losrukt.
Vanuit de dageraad reist een reus, met schild,
In reuzen-woede wentelt de wereldworm:
hij slaat op de schuimende golven, adelaars schreeuwen
luid om lijken: Naglfar (doodsschip) is los.
Vanuit de morgen door de zee, met Muspilli
(godenschemering) nabij,
leidt Loki de lopende kiel;
aan boord brengt Weerstorm broeder van de weg
de wolf en het wolvengebroed.(15)


Eindnoten:
1 Oorspronkelijke titel: 'Wotan', Gesammelte Werke 10. Gepubliceerd in de Neue Schweizer Rundschau, Neue Folge III/ 11, ZŁrich 1936. Later in: Aufsštze zur Zeitgeschichte.
2 AbessiniŽ (EthiopiŽ).
3 In navolging van Nietzsche (1844-1900) werd het Dionysische aspect van het leven in onderscheiding met en in tegenstelling tot het Apollinische benadrukt. Sinds de Geburt der TragŲdie (1872) heeft de duistere, aardse, vrouwelijke kant met haar mantische en orgiastische trekken de fantasie van denkers en dichters in bezit genomen. Irrationaliteit werd geleidelijk als het ideaal gezien; dit vinden we bijvoorbeeld in de studies van Alfred Schuler over de mysteriegodsdiensten, en in het bijzonder in de geschriften van Ludwig Klages (1872-1956), die de filosofie van het irrationalisme ontwikkelde. Volgens Klages zijn logos en bewustzijn de verwoesters van het creatieve voorbewuste leven. Bij deze auteurs beleven we de aanzetten tot een geleidelijke verwerping van de werkelijkheid, en een afwijzing van het leven zoals het is. Dit leidt uiteindelijk tot een cultus van de extase, die culmineert in de oplossing van het bewustzijn in de dood. Voor hen betekent het laatste de overwinning van materiŽle begrenzingen.
De poŽzie van Stefan George verbindt elementen van de klassieke cultuur, het middeleeuws christendom en de oosterse mystiek. George deed met veel overtuiging een aanval op het rationalisme van de negentiende en twintigste eeuw. Zijn aristocratische boodschap van mystieke schoonheid, en een esoterische opvatting van de geschiedenis oefenden een diepgaande invloed op de Duitse jeugd uit. Zijn werk werd door gewetenloze politici voor propagandadoeleinden misbruikt.
4 De titel van ťťn van de belangrijkste werken van Klages luidt: Vom kosmogonischen Eros (1922).
5 Aldus sprak Zarathoestra, Amsterdam 197812.
6 a.w.
7 Der werdende Nietzsche. Autobiographische Aufzeichnungen.
8 An den Mistral, Werke V.
9 Aldus sprak Zarathoestra.
10 Der werdende Nietzsche.
11 Lees wat Bruno Goetz (Deutsche Dichtung) over Odin als Duitse zwerver-god zegt. Helaas vond ik dit boek pas na het schrijven van dit artikel.
12 Wotan und germanischer Schicksalsglaube.
13 Een nationaal-socialistische beweging binnen de protestantse kerk, die alle oudtestamentische sporen in het christendom trachtte uit te wissen.
14 Wilhelm Hauer (1881-1962), eerst missionaris en later hoogleraar in het Sanskriet aan de universiteit van TŁbingen. Hij was de oprichter en leider van de Duitse Geloofsbeweging. Deze trachtte een 'Duits geloof' te stichten, dat op Germaanse en Noordse tradities en geschriften berustte, onder andere op die van Meester Eckhart en Goethe. Deze beweging trachtte een aantal verschillende en vaak onverenigbare richtingen te combineren: een aantal van haar leden nam een 'gezuiverde' vorm van het christendom aan, en anderen stonden niet alleen afwijzend tegenover het christendom in welke vorm dan ook, maar ook tegenover elke religie of god. Een van de algemene geloofsartikelen die de beweging in 1934 invoerde, noemde als doel van de Duitse Geloofsbeweging de religieuze wedergeboorte van de natie uit de overgeŽrfde fundamenten van het Germaanse ras. Vergelijk bijvoorbeeld de toespraak van de 'Oberkirchenrat' en 'evangelische' geestelijke Dr. Langmann, die 'uitgedost met een SA-uniform en hoge laarzen' voor de gestorven Gustloff een begeleidend woord voor zijn 'tocht naar de Hades' sprak. Hij verwijst hem naar het Walhalla, naar het vaderland van de 'offerhelden Siegfried en Baldur', die door hun 'bloedoffers het leven van het Duitse volk voeden' - zoals dat onder anderen ook Christus had gedaan - zo ongeveer. 'Deze god stuurde de volkeren der aarde op hun klinkende weg door de geschiedenis... Heer, zegen onze strijd. Amen.' Zo besloot de geestelijke zijn toespraak volgens de Neue ZŁrcher Zeitung (nummer 249, 1936) - als Wotansgebed zonder twijfel zeer stichtelijk en prijzenswaardig tolerant jegens de gelovigen in Christus! Is de Belijdeniskerk geneigd ook zo tolerant te zijn, en te prediken: Christus heeft zijn bloed voor het heil der mensen vergoten, zoals onder anderen ook Siegfried, Baldur en Odin? Vandaag de dag worden onverwacht groteske vraagstellingen mogelijk.
15 Uit VŲlusp‚. Die Edda.