PDA

View Full Version : Omusa



Frans_Jozef
Saturday, February 19th, 2005, 12:07 PM
Het OMUSA(Onderwijsmuseum Stad Antwerpen) is nog behoorlijk onbekend voor het brede publiek, nochtans onder een andere gedaante en gelegen op twee verschillende locaties, vooraleer a.h.w. onder te duiken in de “catacomben”(kelders) van de lagere school aan de Pestalozzistraat 50, stond het museum eerst als de Archieven en Verzamelingen van het Stedelijk Onderwijs te Antwerpen, gelegen in de Paardenmarkt 91(Stedelijke Nijverheidsschool), vervolgens als de vzw Museum van het Stedelijk Onderwijs in het schoolgebouw aan de Biekorfstraat 21 , waar uitgepakt werd met een permanente tentoonstelling, toch aardig in de schijnwerpers en enthousiast onthaald werd door leerlingen en volwassenen.
Van 1980 tot 1985 werd van de braderijfeesten op de Paardenmarkt dankbaar gebruik om de feestgangers te engageren voor dit stukje schoolgeschiedenis én de aandacht van de politici te trekken, die weer eens voortreffelijk onder het volk kwamen, rond de kraampjes paradeerden en potentiële kiezers proberen te verschalken met hun ingestudeerde minzaamheid, want over een paar maanden stond meestal een nieuwe “bollekeskermis” op stapel.
Destijds oefende het Museum voor Wetenschappen en Technieken zo’n grote aantrekkingskracht uit, omdat er meer aan de hand was dan louter rondneuzen en passiviteit van de museumbezoeker.
Misschien niet uniek in vergelijking met het buitenland, maar de permanente tentoonstelling was geen statische gegeven, doch wat men tegenwoordig een doe-museum zou noemen. De toonkasten presenteerden een toestel, gaven op een label aan wat het was en waartoe het gebruikt wordt; de bezoeker kon vervolgens aan de zijkant een knop indrukken en automatisch voerde het toestel een demonstratie van zijn kunnen.
Dergelijke attracties deden het nu goed op de feesten. De combinatie van het ludieke element en directe betrokkenheid van de bezoeker in combinatie met een vulgariserende woordje uitleg, laat staan het occult aandoende karakter van de uitgestalde voorwerpen, sloeg goed aan, de politici konden moeilijk hieraan voorbijgaan.
Een goede gelegenheid om contacten te smeden met het stadsbestuur. Sommige dromen vereisen een mate van panache en vermetelheid, een dosis sentimentaliteit geharnast in een houding die beginselvastheid aangeeft. Maar ook een open blik naar nieuwe horizonten, nieuwe mogelijkheden. Weiremans bezat het en maakte het ten nutte van het patrimonium van de Stad Antwerpen en het Officiële Onderwijs aldaar.
Een liefde voor wat eens een verleden had(het stadsonderwijs), een begaan-zijn om de staat en zorg ervan en een defensieve reactie tegenover usurpators die zich een verleden willen aanmeten, waar ze eigenlijk geen recht noch inbreng hebben: vandaar de strubbelingen toen het RUCA een claim maakte op dit patrimonium.
Weliswaar noopten de omstandigheden tot een kortstondige maar vruchtbare samenwerking tussen RUCA en Archieven en Verzamelingen in 1985 met een sensibiliseringscampagne rond wetenschappelijk erfgoed van de stad Antwerpen.
Toch stond buiten kijf dat de Archieven en Verzamelingen een zelfstandig bestaan moest leren kennen, in andere woorden, een volwaardig museum, dat zelf de collecties zou beheren, inventariseren en beschermen.
Het museum zou onder toezicht staan van de Hoofdinspectie van het Departement van Onderwijs en sorteren onder de 3e Directie.
Weiremans stelde schepen J. De Meyer voor van de leegstand van het Hessenhuis profijt te maken: een nieuwe bestemming door er het onderwijsmuseum onder te brengen.
Het personeel zou in een eerste fase naast de conservator bestaan uit een typiste en BTK’ers; de staf zou vervolgens versterkt worden met een archivaris en een administratief team.
De bedoeling was deze onderneming een bestendig karakter geven, niet iets vrijblijvends en door vrijwilligers bemand die in hun vrije uurtjes bij komen klussen.
Dit project zou de faam en het bezit van het officiële onderwijs uit het verleden voor de toekomst moeten veiligstellen.

In 1994 werd hem een lokaal in de Biekorfstraat toegewezen, een jaar later was het OMUSA geboren. De viering van 175 jaar stedelijk onderwijs in Antwerpen leverde een goede aanleiding om het museum te promoten. Zodoende werd een “levende klas” gecreëerd in de stijl van 1944. Brochures en takenmappen werden gerealiseerd door gepensioneerde personeelsleden uit het onderwijs en medewerkers van het pedagogisch centrum.
De bedoeling op langere termijn was vernissages, herdenkingen en thematische tentoon-stellingen te houden. Dit lag volledig in de lijn van de reeks exhibities op de Paardenmarkt waarbij de onderwerpen ook buiten het puur schoolse karakter context verbleven of zijdelings mee te maken hadden in zoverre plaatselijke geschiedenis en technische ontwikkelingen in kaart werden gebracht(Van Knechtje naar Student, 1980; Techniek van Toen, 1981; Rode Poort, 1982; 75 jaar luchtvaatgeschiedenis in Antwerpen, 1984; Minerva, 1985). Er werd particulieren en instellingen gevraagd eigendom in bruikleen te deponeren, alles wat maar een beeld kon ophangen hoe het vroeger op het vlak van onderwijs en alles wat ermee samenhing: foto’s, prentkaarten, affiches, schoolboeken, didactisch materiaal, meubilair, schrijfmachines, stencilmachines, enz..
Financiële giften behoorden ook tot de mogelijkheden om het museum te ondersteunen. Via periodieke uitgaven zou men op de hoogte blijven van het reilen en zeilen.
Helaas was dit succes een kort leven beschoren, maar dat er impetus school bewijzen de activiteitenverslag van 1999, dat als bijlage in dit werk is toegevoegd.
Herstructurering betekende de Biekorfstraat opgeven, alleen was er geen ander pand beschikbaar. De hele collectie werd ingepakt en alle activiteiten stilgelegd. Een droom was weer uitgezongen nog vóór het echt zichzelf had kunnen bewijzen.
De collectiestukken werden in diverse gebouwen bewaard.

Eind 2002 mocht het schoolmuseum zich vestigen in de kelderruimtes van de lagere school in de Pestalozzistraat. Een klein lokaal, dat voordien dienst deed als droogkamer van een openbaar stortbad, thans gelegen in de kleuterschool aan de Québecstraat, fungeert als extra opslagplaats.
Het is de bedoeling alle voorwerpen die verstrooid lagen over de stad te centraliseren, medegeholpen door het Stadsarchief werd aan inventarisatie gedaan.
In datzelfde jaar werd de verzameling boeken oorpronkelijk van de Bibliotheek van On-derwijzend Personeel overgeheveld naar de Pestalozzi. Een toevloed van verzameling boeken, tijdschriften, voorwerpen, leermiddelen, toestellen vond zijn weg naar het onderwijsmuseum. De psycho-pedagogische afdeling van de C.O.B. ontdeed zich van haar complete collectie, nu ze op het punt stond opgedoekt te worden. Particulieren(giften, legaten) en scholen sprongen al gauw op de wagen.

Niettemin zijn de problemen niet van de baan, de bibliotheektechnische aspecten zullen verderop aan bod komen.
De kelders kunnen niet de definitieve bestemming blijven. Tot voor kort was het zelfs een ongezonde omgeving, toen ontdekt werd dat de verwarmingsbuizen met asbest geïsoleerd waren, dat een tijdelijke sluiting noodzakelijk was om deze gevaarlijke stof te verwijderen.
Niemand had er toegang sinds april 2004, het materiaal ligt onder een flinke laag stof en vuil, het zal nog tot halverwege september duren alvorens het schoolmuseum zijn deuren kan openzetten; op 14 september is een nieuwe inventarisatie voorzien.
Hoewel er een aanpalende kelder toegewezen zal worde, blijft men zitten met een schrijnend plaatsgebrek. De beste illustratie ervan is dat de collectie-Van Tichelen nog steeds in tientallen verhuisdozen gestapeld is in enkele rijen laadrekken. We spreken hier over ca. 37000 volumes, de oorspronkelijk 19000 van de Bibliotheek voor het Onderwijzend Personeel in de jaren tussen de wereldoorlogen en de aangroei van nog eens 18000 exemplaren in de jaren ’60!
Weliswaar zijn er kasten voorzien, echter geen echte boekenkasten, maar vanuit allerhande magazijnen en zelfs van het stort opgediepte, opgekuiste en van een nieuw vernisje voorziene metalen kledings –en bergkasten, waar de lades losgeschroef of niet aanwezig zijn, ofwel niet erin passen.
Het blijft de vraag wanneer en waar een meer gerieflijk en presentabel pand vrijkomt, omdat de toestand zoals het schoolmuseum verkeert, eerder op snelle en geïmproviseerde magazijn of stock lijkt, waar men zich moet redden met wat toegeschoven wordt als een gunst, niet volgens een concept dat echte interesse en trots toont voor deze onderneming.
Het lijkt eerder op een ietwat smalend gedoogbeleid…
Het is dan ook schrijnend dat van een echt actief en genormaliseerd archief –en museumbeleid weinig terechtkomt, zolang niet een fatsoenlijke permanente tentoonstellingsruimte krijgt.
Het OMUSA krijgt ook geen subsidies. Men kan lid worden van de vzw Onderwijsmu-seum of een gift overmaken. Doublures in het didactisch materiaal verkopen, met uitzondering van persoonlijke voorwerpen, zijn een andere vorm van inkomsten.
Er is evenmin sprake van permanentie en vast personeel.
Er is een dagelijks bestuur, die maandelijks samenkomt, voorbije activieiten evalueert en nieuwe bespreekt. Zij bestaat uit Paul Wilms(voorzitter van het OMUSA en tevens stedelijk pedagogisch inspecteur Departement voor Onderwijs, Sport en Recreatie), Achille Weiremans(conservator), Hilda Schrijvers(penningmeester), Roeland Verhaert(deskundige archief), Jeaninne Ergo-De Braeckell(bestuurslid) en Frieda Lansu(verslaggever). Inventarisatie wordt steevast aan Anne Olivié toevertrouwd, die ondertussen werkt aan de digitalisering van catalografie, dat nog in verste verte nog niet op punt staat. Een schare vrijwilligers bestaande uit gepensioneerden die in één of ander hoedanigheid bij de Stad Antwerpen, of in het onderwijs of in de bibliotheekwereld werkten, vervoegen de staf en werken aan de ontsluiting van het boekenbezit.
Eigenlijk bestaat de staf ook uit vrijwilligers die zich het lot aantrokken van het schoolpatrimonium van Antwerpen, maar niet echt door de stad benoemd zijn.

Deze toestand draagt wel bij tot een mate van miskenning van het OMUSA, cru gesteld zou men bijna gewagen dat het niet voor vol wordt genomen.
Een schuchtere poging om deze impasse te doorbreken, het grote publiek en de culturele, pedagogische sector te sensibiliseren bestaat erin zich op het internet voor te stellen(
link (http://redbox.be/go2/out.php/site=-aHR0cDovL3d3dy5vbXVzYS5iZQ)/ ), allen is er nog enkel een pril begin van gemaakt en is de uitbouw een geleidelijk, maar te traag proces.
Een oplossing staat nog niet voor de deur, tenzij eindelijk een nieuw, ruim en toepasselijk pand toegewezen wordt.
Wanneer men de Tento.be webstek(link (http://redbox.be/go2/out.php/site=-aHR0cDovL3d3dy50ZW50by5iZQ)/ ) bezoekt en een zoekactie stelt naar het OMUSA, zal die poging vergeefs blijken; het onderwijsmuseum is niet opgenomen in de museumgids!
De webstek levert praktische informatie over alle Vlaamse en Brusselse musea, doch over het OMUSA wordt in alle toonaarden gezwegen, wat bijgedragen wordt foor het feit dat het OMUSA geen erkend museum is.
Het decreet van 20 december 1998 van de Vlaamse regering maakt een aanvraag tot erkenning mogelijk voor Vlaamse musea, wat hen aan subsidiëring helpt ter kwalitatieve verbetering en meer professionalisme in museumwerking. Uitgangspunt is de internationale definitie van het IKOM betreffende museums:

“het museum is een permanente instelling, zonder winstbejag, ten dienste van de gemeenschap en haar ontwikkeling, toegankelijk voor het publiek, die de materiële getuigenissen van de mens en zijn omgeving verwerft, beheert, bewaart en beveiligt, wetenschappelijk onderzoekt, presenteert en hierover informeert voor doeleinden van studie, educatie en genoegen."
Daarnaast ligt de klemtoon op garanties voor een continue, kwalitatieve museumwerking inzake het beheer van het museum: organisatie en rechtspersoonlijkheid, eigendom- of genotrecht van het gebouw en de collectie, financiële middelen, infrastructuur, personeel.

De erkenning houdt een kwaliteitsmerk in :

* een erkend museum geeft aan dat het zijn taak op een verantwoorde wijze vervult, dat het voldoet aan de ICOM-definitie van een museum;
* een museum geeft aan het publiek, subsidiegevers, schenkers, sponsors, enz. duidelijkheid over de kwaliteit van de werking.”
* de kwaliteit van de musea wordt beoordeeld op grond van objectieve,
museologisch verantwoorde criteria, die door iedereen aanvaard worden.”

Het OMUSA ontbeert tegenwoordig de faam en reputatie van weleer, maar kan over een uitmuntend en levendig recent verleden buigen en een knappe, duizelingwek-kend in omvang, formaat en diversiteit collectie dat beter verdient dan louter ad calendas Graecas gestockeerd, uit het zicht en straks vergeten.
Nog te zwijgen over de onverdroten ijver door vrijwilligers om het OMUSA in ere te houden.
Het loont allicht de moeite deze aanvraag in te dienen, ook als het zonder gevolg blijft, al was het maar om het stadsbestuur erop te wijzen dat men uiteindelijk zichzelf in de voeten schiet als het OMUSA aan chronische onderwaardering blijft lijden en wegkwijnt, terwijl het alle kansen verdient open te bloeien en de Stad en haar verleden ermee in de bloemetjes kan zetten.